VRUCHT DRAGEN

Zondag 12 juli 2020
Vijftiende zondag door het jaar – A
 Jesaia 55:10-11,
Romeinen 8:18-23 en
Matteüs 13:1-23
Ambro Bakker s.m.a.

 

Het evangelie van vandaag begint met de zin: ‘Op zekere dag verliet Jezus zijn huis en ging aan de oever van het meer zitten’. En ik zie Hem daar zitten: te midden van de natuur, in alle stilte. Een uitstekende plek om te mijmeren, om na te denken, om even te vertoeven bij zijn hemelse Vader. Maar de mensen gunnen Hem die rust niet. Zee hebben al zoveel over Jezus van Nazareth gehoord, dat hun verwachtingen hooggespannen zijn. Jezus heeft het voortdurend over een Hemelse Koninkrijk vol Gerechtigheid. Wanneer komt Hij met die nieuwe hemelse wereld. Komt er nog wat van? Omwille van die grote menigte die zich verzameld heeft, moet Jezus in een boot stappen, om vanaf de boot het volk toe te spreken. Een betekenisvolle plaats: preken vanaf het water, symbool van leven en dood.

De zaaierWat wil Jezus aan ons kwijt? De komende tijd zal Hij het vooral hebben over een aantal gelijkenissen, die op dat Hemelse Koninkrijk van toepassing zijn. Vandaag heeft Hij het over een zaaier die uitging om te zaaien. Waar komt zijn zaad terecht? In goede grond of in een onvruchtbare bodem? Een zaaier ging uit om, te zaaien. Soms word je moedeloos, als je ziet wat ervan al dat zaad overblijft. 50 jaar preken, jaar in jaar uit, maar wat blijft ervan hangen? Zoveel woorden door ouders gezaaid in de harten van hun kinderen. En wat komt er veel op de rotsgrond terecht! Al die moeite die we week in week uit doen om onze geloofsgemeenschappen op te bouwen. Heeft dat wel zin? We durven nog maar naar het kerkgebouw te komen. En heeft dat nog wel zin? Op die pijnlijke vraag geeft Jezus ons vandaag een antwoord: kijk maar naar de boer. Ook na een slechte oogst zaait de boer met optimisme, want hij gelooft in de kiemkracht van ‘t zaad en in de geschiktheid van de bodem. Als er niet wordt gezaaid, zal er niet meer worden geoogst. Zaaien en oogsten, geven en ontvangen. Die woorden horen bij elkaar. Wie het ene niet doet, wacht vergeefs op het andere. Maar we weten toch dat de boer zaait, maar slaapt terwijl de gewassen groeien. Zelfs tegen alle verdrukking in, vindt het zaadzijn weg.

Zaad is het levensbeginsel van alles wat leeft, planten, dieren, en wij mensen. In onze vieringen zijn er heel veel liederen die gaan over de kracht van het zaad. En waar komt dat zaad allemaal terecht.  De theoloog, dichter en schrijver, Willem Barnard, met het pseudoniem ‘Guillaume van der Graft (1920-2020) heeft onder andere een prachtig en indringend lied geschreven over een boer die uitging om te zaaien. Wat gebeurt er met al dat zaad. Willen Barnard verwoordt dit zo:

Een zaaier ging uit om te zaaien,
hij zaaide zo wijd als de wind.
Zo wijd als de winden waaien,
waar niemand een spoor van vindt.
Een deel van ‘t zaad ging verloren,
een deel van ‘t zaad werd brood,
maar niemand weet van tevoren
de weg van het zaad in de schoot.

Het wordt op de wegen vertreden,
het valt in een vruchteloos graf,
het sterft aan de doornen beneden,
de vogels van bovenaf.

Er is geen verwachting van leven,
tenzij in de dood van het zaad,
wij moeten de aarde vergeven,
dat zij ons sterven laat.

O zaaier, ga uit om te zaaien,
de kiem waaruit levens ontstond,
zo wijd als de winden waaien
en maak ons tot moedergrond.

Zaad is onze levenskracht, tot zelf over de dood heen. In het zaad zijn alle bestanddelen van een toekomstige plant in de kiem aanwezig. Het zaad zelf is daardoor het eerste symbool van vruchtbaarheid. Bruidsparen, als ze de kerk verlaten, worden kwistig met rijst bestrooit, in de hoop, en met de wens, dat zij vruchtbaar zullen zijn. Een oud boerengebruik is ook, een pasgeboren kind in een zaaimand leggen en met zaadkorrels te bestrooien. Ongetwijfeld in de hoop dat de levenskracht van het zaad op het nieuwgeboren leven zal overgaan.

Omdat uit de zaadkorrel alleen dan nieuw leven kan ontstaan als de bast openspringt (symbolisch is dat afsterven), werd het zaad niet alleen een symbool van leven en gedijen maar ook van opstanding en verrijzen. Het is niet voor niets dat wij in onze katholieke traditie niet zozeer spreken over een begraafplaats, maar over een dodenakker. En in een akker ligt niet het zaaigoed van gisteren, maar het zaaigoed van morgen. Daar ligt ook onze toekomst, niet op weg naar de definitieve dood, maar op weg naar de Verrezen Heer. Zoals Jezus dat zegt: voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort’ (Johannes 12:24)

Maar niet alleen christenen, alle religies hebben hun eigen parabels over zaad en zaaier. Wij leven in een tijd dat meer dan de helft van de mensen niet meer in de eeuwige toekomst van het zaad gelooft. Buiten het paradijs geldt voor heel de natuur de wet van worden en vergaan, en het is God, die deze wet vaststelde op de derde dag van de schepping. ‘God sprak toen: ‘Het land moet zich tooien met jong groen gras, zaadvormend gewas en vruchtbomen die ieder naar zijn eigen soort hun vruchten dragen, met veel zaad er in’ (Genesis 1:11) Degenen die God toebehoren zullen leven van het lied van de hoop: ‘Zij die zaaien in tranen zullen oogsten in jubel’. (Psalm 126). Een natuurlijk lichaam wordt gezaaid, een geestelijk lichaam verrijst.

Als de boer het zaad eenvoudigweg op de akker strooit, doet hij er in zekere zin afstand van. Hij geeft het zaad uit handen en vertrouwt het toe aan zon en regen, die hun werk wel zullen doen. Hij ligt ‘s nacht niet wakker en zit niet elke dag te wachten of ‘t zaad wel zijn werk zal doen. Hij wacht met groot geduld op de oogst. Jezus heeft de moed niet opgegeven. Hij heeft verder gezaaid, tot de dag van vandaag. Sterker nog: Hij is zelf graankorrel geworden, bestemd tot honderdvoudig leven. Na tweeduizend jaar zaait Hij ook nu nog in het de harten van ons mensen. Jezus wist als geen ander hoe rotsachtig de bodem van ons hart kan zijn. Maar hij weet ook dat het Woord van God voldoende kiemkracht heeft om zelf op te schieten. En Hij weet dat er in elk hart wel een plekje is waar het zaad honderdvoudige vrucht zal dragen. Als we het maar aandurven om thuis te zijn bij elkaar, dan zullen we ook thuis zijn bij God.

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam
Locaties: De Goede Herder en
de Zrs. van Amersfoort