VORMSELVIERING

zondag 22 november 2020
Vormselviering van Magdalena Kvartuć
1 Korintiërs 13 (Hooglied van de Liefde) en
Handelingen 8:14-17 (H. Geest)
Ambro Bakker s.m.a.

Vormsel, waag de sprong om te gelovenLieve Magdalena, familieleden, vrienden en vriendinnen en onze parochianen van de geloofsgemeenschappen van RK Amstelland, en degenen die met ons verbonden zijn via een live-stream.

Magdalena, als je een klein kind bent, dan zijn het vooral je ouders die bepalen waar je heengaat. Je legt je kleine kinderhand in de handen van je ouders. Maar naarmate je ouder wordt ga je zelf bepalen welke richting je aan je leven wil geven? Dan komen de vragen: wat wil je worden en ga je met iemand je leven delen? En naar wie gaan je oren en baar wie je ogen staan? Voor wie of waarvoor kies jij? Als je ouder wordt ga je zelf je leven bepalen en vormgeven. En het is heel bijzonder, Magdalena, dat je op 19-jarige leeftijd heel bewust aangeeft dat je het heilig sacrament van het Vormsel wilt ontvangen. Lees “VORMSELVIERING” verder

DE EINDAFREKENING

zondag 15 november 2020
33e zondag door het jaar – A
Spreuken 31:10-13.19-26.30-31 ,
Tessalonicenzen 5:1-6 en
Matteüs 25:14-30
Ambro Bakker s.m.a.

parabel van de talentenIn de evangelietekst van vandaag wordt de waakzaamheid, waar Jezus het bij Matteüs vorige week over had (in verband met het einde dat onvermijdelijk aan ons leven en aan deze wereld komt) verder gekwalificeerd. Wij moeten niet alleen waakzaam blijven en onze lamp brandend houden. Wij moeten ook actief bezig zijn met het realiseren in wat Jezus het Koninkrijk van God hier op aarde noemt.

In het Evangelie van vandaag horen we dat God aan ons veel vertrouwen geeft, als hij aan ons de toekomst en het beheer van zijn aarde toevertrouwt. Wij mogen zijn rentmeesters zijn. De ondertoon is dat God ons veel mogelijkheden heeft gegeven. Deze parabel gaat niet over het spreekwoord ‘als je voor een dubbeltje geboren bent, zul je nooit een kwartje worden’. God geeft ons allemaal voldoende talenten om deze aarde bewoonbaar te maken en bewoonbaar te houden. Die talenten hebben we niet van onszelf, we hebben ze van Godswege gekregen. Daarmee heeft God het lot van de wereld, en het lot van onze naasten, ook in onze handen gelegd.

God investeert in mensen. Hij heeft ons ideeën gegeven om zélf ook initiatieven te ontwikkelen. Daarmee laat Hij zien dat Hij vertrouwen in ons heeft. Maar Hij vraagt ons ons wel onze talenten te gebruiken. In het Evangelie is er één man doodsbang. Hij durft zijn verantwoordelijkheid niet aan en begraaft zijn talent in de grond. Daarmee begaat hij de grootste fout van zijn leven! Want ‘nietsdoen’ is de grootse fout die je in je leven kunt maken!

Dit evangelie van de talenten wordt vaak gelezen tijdens een uitvaartmis. Dan vertellen familieleden hoe de overledene met zijn talenten heeft gewoekerd of geworsteld. Bij een begrafenis van een oude pastoor zei de voorzitter van het parochiebestuur: ‘De pastoor was niet zo getalenteerd, maar hij is wel tot zijn laatste snik dicht bij God en dicht bij zijn parochianen gebleven.’ Is trouw dan geen talent? Of die vrouw van tachtig: dag en nacht heeft ze klaar gestaan voor mensen die haar nodig hadden en die haar door God waren toevertrouwd. Ze vond dat heel gewoon. Maar is trouw dan geen talent? Nee, wat dat betreft, is elk mens is getalenteerd en heeft zijn of haar talenten.

Groot zijn in het kleine. Ik denk aan dat Engelse parlementslid dat hooghartig tegen een afgevaardigde van de vakbond zei: ‘Ik geloof dat uw vader nog de schoenen heeft gepoetst van mijn vader’. De man antwoordde: ‘Het is niet belangrijk of hij uw vaders schoenen heeft gepoetst, maar of hij die goed heeft gepoetst!’. Het gaat er niet om of je veel talenten hebt gekregen, maar of je jouw talenten weet te gebruiken!

In onze samenleving is veel vraag naar talenten, zozeer zelfs dat we spreken van ‘talentenjacht’. Bij film en televisie is het heel gebruikelijk om als zoektocht naar nieuwe en aansprekende idolen langdurige series te produceren. Naast de deskundige jury mag het publiek over al of niet doorgaan van kandidaten. Zo zijn de laatste jaren heel wast nieuwe talenten ontdekt. Maar de concurrentie is hard, er is veel duw- en trekwerk achter de schermen. Veel applaus bij succes voor een enkeling, maar niet minder grootverdriet bij velen die weer teleurgesteld naar huis gaan.

Talenten in de betekenis van geschiktheid, bekwaamheid, vaardigheid is ons allemaal meegegeven. ‘Het zit in de genen’ zeggen we tegenwoordig, maar, denk ik dan, mag het ook een cadeau van de Schepper zijn? Het gaat er om dat in elk mens talenten aanwezig zijn. Het is bijvoorbeeld zo belangrijk dat je als ouders je talenten van je kinderen ontdekt, benoemt en bevordert. En daarbij gaat het niet om de hoge verwachtingen die ouders soms naar hun kinderen hebben. Een mooi citaat zegt: ‘in elk mens liggen veel vakjes open, die wachten op ontdekking en op groei’. Ga daar maar aanstaan.

En bij het woord talenten gaat het niet om onze verstandelijke vermogens, maar om de mate waarin mensen naar God en naar elkaar zijn gegroeid. Van mensen die hun talenten hebben kunnen vermeerderen, daarin gegroeid zijn, wordt niet verwacht dat zij op hun lauweren gaan rusten. Integendeel, ze moeten er zelfs extra tegen aan. En ook de mens die er maar half in slaagt, wordt gevraagd in de relatie met God en met elkaar te investeren. Ook zijn er veel mensen die geen enkele moeite doen. Zij begraven hun talent.

Veel menselijke talenten zijn gedevalueerd, in waarde gedaald, ineengeschrompeld. Door gebrek aan vertrouwen. Daarom: laten we onze talenten gebruiken en geven wij elkaar voldoende ruimte om onzen talenten te ontwikkelen. Zo niet, dan mag je weten dat er straks bij de eindafrekening heel wat op je huid zal staan en dat God je dan op je huid zal zitten. Maar gelukkig krijgt de mens voldoende talenten van God mee om dít te voorkomen!

De eerste lezing gaat ook over talenten. Het is een gedeelte uit de wijsheidsliteratuur, waar het boek der Spreuken deel van uitmaakt. ‘Een sterke vrouw, wie zal haar vinden? Haar waarde gaat uit boven die van de kostbare koralen’ (Spreuken 31:10-11). Is het toeval dat ook deze lezing vaak gebruikt wordt bij een uitvaart? Het gaat in dit Bijbelgedeelte niet om geloven met mooie woorden, maar geloven met concrete daden. Niet mooipraten, maar mooi doen! Als je de hele tekst leest, kom je een vrouw tegen die bijzonder zelfstandig en daadkrachtig is.

En als de lezing spreekt over ‘een sterke vrouw’, dan gaat het niet om lichaamskracht, maar om een krachtige, karaktervaste vrouw. En de uitdrukking ‘wie kan haar vinden?’, wijst op haar kostbaarheid. Geen mens die aan haar kan tippen. Het gaat om een vrouw die haar talenten niet heeft begraven, maar zich talentvol heeft ingezet voor degenen die haar nodig hadden. Je zou maar zo’n talent hebben…… Haar ‘eindafrekening’ had in ieder geval een positief saldo! Zij is dicht bij God en bij de mensen om haar heen!

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam
Locatie Titus Brandsma

OVER DE GRENZEN VAN DE DOOD HEEN

zondag 1 november 2020
Allerzielen
Ik zal met je meegaan (Kris Gelaude) en
Johannes 11:21-27

Allerzielen 2 novemberNovember is vanouds de maand waarin wij onze doden gedenken. Het lijkt wel alsof de natuur daar zelf aan meewerkt. De zomer lijkt af te sterven en is voorbij. Het wordt mistig langs de wegen. Het miezert. Bomen en struiken worden kaal. De beesten gaan op stal. Wij kleden ons wat warmer. De kachel gaat aan, de thermostaat wat hoger. We gaan met zijn allen weer de nachtschuit in. Het is echt Allerzielenweer! Er hangt weer een rouwstemming over de natuur en sluipt de gemoedsstemming van mensen binnen.

Allerzielen, een dag waarop de overledenen al onze aandacht krijgen. Wij noemen met eerbied de namen van hen die naar de aarde terug zijn gevallen als een vergeeld blad in de herfst of weggevlogen op de vleugels van de wind. Wij zijn vanmiddag naar onze begraafplaats Buitenveldert gekomen vanuit het onverwoestbare geloof dat niet de dood het laatste woord heeft, maar dat alle leven overleven bij God is.

Wat gebeurt er als we doodgaan? Er zijn mensen die zeggen dat we bij de hemelpoort komen. Een omgeving van zachte wolken en blote engeltjes die op vreemdsoortige trompetten spelen. Ziet de hemel er zo wel uit? Dat kan mij eigenlijk weinig schelen. Het is immers een schitterend beeld. Stel je voor: na je dood ga je terug naar God, en ga je niet terug naar af! Vanaf dat moment zit er weer muziek in je leven. Aan niets kun je je meer verwonden, alleen maar zachte, vederlichte wolken. Alle rimpels en plooien trekken weg uit verweerde gezichten. Er is geen ruzie meer, geen geknars van tanden. Je hoeft niet meer te vechten voor een redelijk plaatsje in de maatschappij. Burenruzies en familieruzies kun je eindelijk achter je laten. Je mag je handen voorgoed neerleggen in de schoot van God.

In de kranten lees ik soms: ‘God heeft tot zich geroepen ons geliefde man en vader.’ Het klinkt bijna als een verontschuldiging. Zo van: denk nou maar niet dat wíj hem of haar de dood hebben ingejaagd! Het is de wil van God? Gods wil? Maar God heeft toch geen vreugde in het in elkaar storten van al wat leeft? Hij wil een God van levenden genoemd worden, geen God van doden. En is het niet zo, dat vaak in déze wereld, wij élkaar ook zelf de dood aanzeggen: door de oneerlijke verdeling van voedsel en medicijnen? Treden we wel genoeg op tegen onrecht en onrechtvaardigheden? Ik kan zelf niet zomaar geloven in een God die zomaar mensen wegplukt. Ik geloof wél in een God die ons nabij wil zijn, en ons wil troosten. En het is toch onze God die zegt: ‘Je kunt iets doen aan al dat lijden in de wereld.’ Je kunt mijn hemel op aarde al een beetje waarmaken, ook al denk je dat dat niet meer is dan vaak een druppel op een gloeiende plaat.

Van vele mensen hebben we het afgelopen jaar afscheid genomen. Een afscheid die velen van ons een onbeschrijfelijk verdriet heeft gebracht. En onze troost is mager, want wie oog in oog met de dood heeft gestaan, wie even heeft gekeken in die bodemloze put – een man, een vrouw, een kind verloren – die praat niet meer lichtzinnig over opstaan uit de dood. Wie de pijn van het gemis aan den lijve heeft ervaren, hoedt zich wel voor goedkope praatjes. Zo iemand zegt met Thomas: ‘eerst zien en dan geloven!’ Zo iemand neemt de dood niet van harte, maar wel serieus.

En vele jaren later – misschien wel in je stoutste dromen – zul je zeggen: dood, waar is je prikkel, ergens moet er toch leven zijn, ergens, ergens… God weet waar en wanneer. Wie de dood van nabij heeft meegemaakt, ziet niet meer dan dat de dood het einde betekent van de mens zoals wij hem hebben gekend en bemind. De dood snijdt elke draad naar de toekomst af. De dood van je geliefde betekent het einde van al je dromen en verwachtingen. Vaak is dat het begin van een lange nachtmerrie. Want, wat blijft er van je over? Een hoopje stof, een herinnering die wegdrijft op de wind?

Maar de weg zou te lang zijn, te zwaar, te onzeker, als we niet een woord zouden horen, dat ons weer aan kan zetten om onze ruggen te strekken en onze voeten opnieuw te richten naar het leven. Het groeit waar mensen gelouterd zijn de pijn voorbij, de tranen gedroogd, de moed hervonden. Het groeit waar mensen elkaar verhalen vertellen, ter herinnering, ter bemoediging.

Jezus vertelt ons vandaag ok een verhaal over een stervende graankorrel. Een graan-korrel, weggestopt diep in de zwarte aarde. Het zaad dat in de bodem verdwijnt, prijsgegeven aan het graf van voorbij. De graankorrel sterft langzaam: eerst aan de buitenkant, dan aan de binnenkant. De huid begeeft het, de korrel scheurt open. Zodra ‘t nieuwe leven ontkiemt, een nieuwe korenaar zichtbaar wordt, dan betekent dat dat de graankorrel niet dood is, maar leeft! Er begint een kleine nieuwe vrucht te groeien. Doodgaan, om het Eeuwig Leven mogelijk te maken. Het is een vreemd, haast angstaanjagend geheim!

Ook Jezus werd in zijn leven toevertrouwd aan de donkere aarde. Ook bij Hem hing een moeder boven het dode lichaam van haar eniggeboren kind dat zij waanzinnig liefhad. Daarmee is Jezus de weg gegaan van alle mensen, tot het bittere eind toe. Hij is met zijn troost niet aan de kant blijven staan, maar heeft zichzelf mét ons begeven in de arena van lijden en dood. Van Hem mogen we leren dat geen leven zich verliest in de dood. Dat hij het moet ondergaan om tot het nieuwe leven te komen. Graankorrel die in de donkere aarde valt. Wij houden ons soms te krampachtig vast aan het leven. Wij proberen het leven van alle kanten af te schermen, maar angst kan ons verlammen, en verliezen we daarmee ook onze boeiende en rijke kanten. Je blijft dan arm en verwarmd achter.

De leerlingen van Jezus hebben op Paasmorgen ervaren dat je zelfs in de dood rijk kunt zijn, omdat je geborgen bent in de schoot van de Vader. Als iemand dood gaat, wordt de aarde zwaarder, een wonde dieper, een grafkuil zwarter, een verzengend vuur, ontzaglijke hitte. Duizenden jaren geleden was er al iemand die zijn bijzondere ervaringen heeft opgetekend in het Bijbelboek Prediker:

Zwart als git wordt het licht,
aardedonker de zon.
Loodzwaar hangen de wolken
na de regen klaart het niet op.
De huisvader vlucht uit zijn huis
en onbeheerd blijft het achter.

Bomen van mannen
beven als riet.
de harde hand van de molenaarsvrouw
is moe van het malen.
Toonloos wordt er een liedje gezongen,
ijlloos klinkt de stem van een vogel.

Iedere hoogte is mij te hoog,
trappen te steil, woorden teveel.
Ik durf de schrikwekkende
straten niet meer begaan.
Ach, olijven, je smaakt me niet meer,
amandelbomen, bloei niet meer voor mij.

Ach, liefste, ik streel je nog wel,
maar ik voel je niet meer,
zegt de ene mens tot de ander.
Weg naar je eeuwige huis,
roepen de doodsgravers
door de straten.

Voort naar je blijvende woning
roepen de levenden de doden toe.
Het zilveren snoer wordt doorgeknipt,
de gouden lamp valt stuk op de vloer.
De kruik barst open
aan de boorden van de bron,
het scheprad schept geen water meer.

Stof wordt stof, leem wordt leem,
alles keert terug naar zijn oorsprong.
De adem stroomt over de ademzee
tot Hem die leeft.

(H. Oosterhuis, Gebeden en Psalmen, blz.154)

Sinds vorig jaar hebben wij jonge en oudere mensen moeten verliezen. Velen zijn er verschillenden door het coronavirus onderuitgehaald. Ook hun namen voegen wij nu toe aan de familieleden, vrienden en vriendinnen, die wij in de dood hebben verloren. Zij zijn die lange donkere tunnel ingegaan, waar we allemaal doorheen moeten. Ook mijn naam, alleen God weet wanneer, leest u op een keer in de krant. Dan zullen mensen beweren dat ik dood ben. Mijn advies: geloof toch niet altijd wat er in de kranten staat! In de Heilige Schrift las ik vandaag wat anders..!

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam

BIJ DEZE IS IEDEREEN UITGENODIGD

zondag 11 oktober 2020
28e zondag door het jaar – A
Jesaia 25:6-10a,
Filippenzen 4:12-14+19-20 en
Matteüs 22:1-14
Ambro Bakker s.m.a.

Genodigd op het feest

Zowel in de lezing van de profeet Jesaja als in het evangelie van Jezus staat vandaag het samen-eten centraal. Maaltijd houden, dat klinkt heel plechtig, maar er wordt gewoon mee bedoeld: lekker gezellig met elkaar eten en drinken. Voor mijn part een schitterend diner zoals je wel op bruiloften hebt.

Het evangelie gaat vandaag over zo’n bruiloft. Als Jezus zoekt naar een manier om zijn Messiaanse droom van het Rijk der Hemelen te verwezenlijken, dan grijpt hij naar dit feestelijk aspect. Ons leven zal uitlopen op een wereldfeest, waarop iedereen wordt uitgenodigd, niemand uitgezonderd. Het samen-eten is zelfs de basis geworden van het feest op Witte Donderdag, waarop de eucharistie is ingesteld. Samen-eten tot gedachtenis aan Hem.

Eigenlijk een schitterend beeld wat Jezus gekozen heeft. Ook Hij hield blijkbaar van bruiloften. Met zijn moeder ging Hij in het plaatsje Kana naar een bruiloft. En de meesten van u weten hoe het daar afloopt. De wijn is op en Maria vraagt haar Zoon of die niet voor wat extra wijn kan zorgen. En Jezus zorgt er dan voor dat het Bruiloftsfeest niet verwatert, maar verandert in wijn, de feestelijke drank van het bruiloftsfeest.

In de Bijbel heeft een bruiloft trouwens een opmerkelijke plaats. Er zijn daar tal van voorbeelden van te vinden. Bijvoorbeeld over de liefde tussen koning Salomo en zijn bruid, die inspireerde tot het maken van het prachtige Hooglied, dat een weergaloos bruiloftslied is geworden. Door de eeuwen heen is dat het symbool geworden voor de liefde tussen God en zijn volk, tussen. Christus en zijn kerk.

Wat een ontroerend beeld, en wat een verheven taal. Voor Jezus moet eigenlijk alles en iedereen uitlopen op een geweldig bruiloftsmaal. De gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze maagden wachtende op hun bruidegom is zo’n symbool voor de parousi, de wederkomst van de Messias. Vijf meisjes gingen met Jezus de bruiloftszaal binnen, de vijf anderen, die hun lamp niet brandend wisten te houden, moesten buiten blijven. (Matteüs 25:10). Een oud verhaal vertelt dat Jezus later ook naar déze vijf meisjes knipoogde. Hij wist toch wie het waren. En Hij liet ze toch maar gauw binnen via de achterdeur, want op zijn bruiloftsfeest is iedereen toch welkom.

Prachtig zijn ook de beelden over het bruiloftsmaal in de Apokalyps (19:7-9), waarin staat: ‘Laat iedereen blij zijn en juichen en Hem de eer geven; de tijd is gekomen voor de bruiloft van het Lam, en zijn Bruid heeft haar prachtige bruiloftskleed al aangetrokken. En de engel sprak tot mij: Schrijf: zalig zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam. De Vlaamse kunstschilders gebroeders van Eijck hebben daar in de 15e eeuw een indrukwekkende schilderij van gemaakt. U kunt dat zien in de St. Baafskathedraal in het Belgische Gent.Aanbidding van het Lam

De aanbidding van het Lam Gods
De kerkvaders hebben al in de oude christenheid dat verband gelegd tussen de bruidegom en bruid uit het Hooglied en Christus en zijn kerk als bruid. In zijn beroemde preken over het Hooglied ziet Sint-Bernard van Clervaux in de beelden van het Hooglied de vreugde en de ziel van het mystieke huwelijk. Ruusbroeck beschreef het als het ‘sieraad van de Geestelijke Bruiloft’. De beeldhouwer Bernini beeldde in de bloeitijd van de renaissance de heilige Teresa van Avila in marmer uit, in de staat van een geweldige vervoering. Deze Sponsa Christi, bruid van Christus, is in de kerk degene die door de gelofte van de maagdelijkheid zich aan Christus geeft als een bruid. In de 16e eeuw schreef een dichteres:

Ik weet een jongeling zeer schoon
Die ik met alle herte beminne.
Slaap ik of waak ik. wat ik ook doe
Hij staat in mijn zinne…
Wildi weten zijne naam,
Ik zal hem gaarne noemen.
Heer Jezus is mijn lief bekwaam.
’t Is de maker van de bloemen’.

Tegen deze achtergrond speelt het evangelie van vandaag zich af. Als het aan Jezus ligt vieren we met elkaar een geweldig bruiloftsfeest. Een feest waarop er geen plaats is voor muurbloempjes! Een feest, waarop ook ome Piet is uitgenodigd, die enkele jaren in de lik heeft gezeten. Ook Tante Alie loopt er rond, met wie we al jaren ruzie hebben. Ook Ome Gerrit, die er destijds met zijn buurvrouw vandoor is gegaan. Iedereen wordt uitgenodigd deel te nemen aan Gods polonaise! Jammer dat velen van ons dat wereldfeest niet mee willen vieren en letterlijk zeggen: God, aan mijn lijf geen polonaise!

Intussen stuurt God zijn dienaren de straat op. Zij mogen rondbazuinen: iedereen is welkom: armen, rijken, gelen, blanken, zwarten, homo- of heteroseksuelen, groten en kleinen! En je hoort mensen roepen: blijf in deze wereld toch op je beide benen staan! Geloof toch niet in dromen die tóch niet uitkomen! Jezus had zo’n droom, maar is Hij niet gestruikeld over Golgotha. Toch blijft Jezus beweren dat het kan. Hij vertelt een parabel, een verhaal over een koning die een bruiloft houdt. ‘Gaat naar de hoeken van de straten!’ En daar komen de bruiloftsgasten: kinderen voorop, daarachter de gediscrimineerden, de oorlogsslachtoffers, de hongerlijders en zo veel kleingekregen, doodgezwegen, kleingeknepen mensen.

Halverwege het feest valt de koning uit. Er zit iemand die wél de moeite heeft genomen om naar de bruiloft te gaan, maar hij blijft aan de kant zitten. Hij gelooft niet dat het bruidspaar, God en de kleinen, ook in de toekomst bij zullen elkaar blijven. Hij zit te eten met lange tanden en heeft overal kritiek op. Door zijn aanwezigheid, zijn zure gezicht, dreigt het feest te mislukken. Hij wordt daarom buiten de deur gezet. En God laat weten: je feest met ons mee, of je blijft maar buiten zitten. Je gelooft in een betere wereld, en je steekt daar je handen voor uit, of je gaat thuis maar achter je televisie zitten kniezen. En God wil ook niets te maken hebben met deeltijders. Op Zíjn feest is het alles of niets. Je doet mee óf je blijft maar weg!

Er ligt nog steeds een geweldige kloof tussen de wereld, zoals die zou moeten zijn, en zoals die is. Wie die kloof gegraven heeft weet ik niet. Misschien zijn we bang geworden voor God. Zo bang dat we zeggen: als God boven in Zijn hemel blijft, en daar zijn goddelijke gang gaat, dan kunnen wij hier op aarde onze eigen goddelijke gang gaan! Aan onze menselijke lijf geen goddelijke polonaise. Laat God maar op Zíjn weghelft blijven en wij op de onze, dan kunnen er geen botsingen ontstaan!

Maar het Bruiloftsfeest zegt ons dat we niet meer bang hoeven te zijn voor God en we hoeven ook niet bang te zijn voor elkaar. Want Gods feest zál er komen. En val dan niet uit de toon! Ga niet zitten vitten, stoken, roddelen, afkammen, zaniken of gapen van verveling. Aandacht voor Gods bruiloftsfeest is aandacht hebben voor de Koning en voor de andere bruiloftgangers: zelfs de meisjes van plezier.

Dat was de kracht van waaruit Jezus leefde: geloven in mensen, ook al verkopen ze hun lichamen voor wat geld of verdovende middelen. Geloven in mensen, ook al zijn ze verschraald door het onrecht. Geloven in mensen, ook al zijn ze verschraald door het verdriet. Van mensen blijven houden, zelfs al zijn ze vastgeroest in haat, vooroordelen en vernielzucht. Het was de rotsvaste overtuiging van Jezus dat mensen niet zijn geboren om oorlogje te spelen, elkaar te haten of elkaar de vernieling in te helpen. Hij was ervan overtuigd dat elk mens geroepen is om ‘Beeld van God, beeld van Zijn Vader’ – te zijn.

Om te leven hóef je niet over lijken te gaan! Op Gods wereldfeest wordt niet geroddeld, er wordt alleen maar feest gevierd. En wij zijn van harte uitgenodigd. Allemaal horen we erbij, wie en wat we ook zijn. Dat is de droom van Jezus: en ook ons eigen leven mag uitlopen op dat geweldige bruiloftsfeest dat ons te wachten staat!

Ambro Bakker s.m.a.
deken van Amsterdam

Zrs. van Amersfoort en De Goede Herder Amsterdam

GERECHTIGHEID DOOR BARMHARTIGHEID

Zondag 6 september 2020
23ste zondag door het jaar – A
Ezechiël 33:7-9 en
Romeinen13:8-10 en
Matteüs 18:15-20

Jaar van barmhartigheidHet evangelie van vandaag is een ervaringsbericht uit de jonge kerk, die veertig, vijftig jaar na de dood van Jezus, in een crisissituatie terecht is gekomen. Er ontstond onenigheid, zoals dat in elke gemeenschap kan gebeuren. We zijn het vaak niet eens met elkaar. En als iemand de fout is ingegaan, hoe ga je daar dan mee om? En wat, als iemand fundamenteel scheef zit, hoe ga je dan om met zo’n situatie Hoe kom je een stap verder zodat we weer bij elkaar gebracht worden en weer één zijn?

In de tijd van Jezus, en in de tijd van de jonge kerk, die in haar gelederen de menselijke tekorten sterker begon te ervaren, hadden velen te kampen met een toenemende verdeeldheid. Een verdeeldheid die, als het om een gelovige gemeenschap gaat, ook in onze tijd, nog steeds hoog op onze agenda staat. Hoe gaan we met elkaar om, en zeker ook met mensen die zeggen te geloven?
Lees “GERECHTIGHEID DOOR BARMHARTIGHEID” verder

OVER GRENZEN HEEN

zondag 16 augustus 2020
20ste zondag door het jaar – A
Jesaia 56:1+6-7 ,
Romeinen 11:13-15+29-32 en
Matteüs 15:21-28
Ambro Bakker s.m.a.

confrontatie aangaanBij het lezen van het verhaal van Matteüs moest ik denken aan een asielzoeker die ik ken en die is uitgeprocedeerd tussen blijven en uitzetting. De kleren, die hij draagt, heeft hij gekregen; hij eet brood waarvoor hij niet kan betalen en hij woont onder een dak dat niet het zijne is. Hij maakt geen deel uit van onze samenleving en deelt niet in onze welvaart, hij krijgt slechts wat kruimels. Hij verlangt naar een echt leven, maar komt alleen maar obstakels tegen. Gaat deze vergelijking mank? Natuurlijk gaat hij mank, zoals elke gelijkenis. Maar toch raakt het aan de vraag die ook in het evangelie van vandaag gesteld wordt, Hoe gaan wij om met de vreemdelingen die in ons midden wonen? Hebben zij rechten of niet? Komt ook de vreemdeling heil toe, of niet? Het is een groot maatschappelijk, politiek probleem, maar vooral een menselijk probleem in een wereld waar zeventig miljoen vluchtelingen over de hele wereld een zwervend bestaan leiden. Lees “OVER GRENZEN HEEN” verder

PRIESTER ZIJN IS GEEN KUNST, MAAR PRIESTER-WORDEN DAAR DOE JE HEEL JE LEVEN OVER

zaterdag 1 en zondag 2 augustus 2020
50-jarig priesterjubileum
H. Augustinus – Amsterdam-Amstelveen
Geloof (Hebreeën 11:1-12:1)
Hoop (Charles Péguy) en
Liefde (Johannes 15:9-17)

Pastoor-deken Ambro Bakker s.m.a.Beste familieleden, vrienden en vriendinnen en parochianen. Op zaterdagavond 1 augustus 1970 werd ik om zeven uur in de Don Boscokerk in Alkmaar door bisschop Zwartkruis priester gewijd. En de dag daarna, op zondag 2 augustus, ging ik in dezelfde kerk om halfelf voor in mijn eerste mis. En nu zijn we 50 jaar verder. Wat is er veel gebeurd in die jaren, en wie had kunnen denken dat na 50 jaar het jubileumfeest in een coronatijd zou plaatsvinden.

Met onze locatieraad hebben we afgesproken dat we mijn 51-jarig jubileum volgend jaar in april of mei 2021 zullen kunnen vieren. Maar vóór die tijd is er ook nog een ander jubileum, en wel ons eigen kinderkoor bestaat ook dit jaar 50 jaar. In december hopen we dit feest, rond kerstmis, te kunnen vieren, samen ook met ons Latijns Parochiekoor.

50 jaar priester. Sommige keuzes bepalen heel je leven. Een dergelijk keuze heb ik gemaakt toen ik, schrik niet, 62 jaar geleden besloot om naar het seminarie te gaan van de paters van de Afrikaanse Missiën in Cadier en Keer. Wist ik toen precies wat ik deed en wist ik toen wat ik nu weet? In die 50 jaar lijkt wel alsof we in een totaal andere wereld en een heel andere kerk terecht zijn gekomen. Intussen heb ik zelf ervaren dat je motieven om priester te worden anders zijn dan je motieven om priester te blijven. En ik denk dat dat ook geldt voor elk huwelijk. Je motieven om met iemand te trouwen zijn anders dan je motieven om bij elkaar te blijven. En ik hoop, in beide gevallen, dat de motieven dieper zijn geworden. Het is voor mij duidelijk: ‘priester zijn is niet zo ‘n kunst, maar priester worden, daar doe je heel je leven over’. Ook diegenen die getrouwd zijn, zijn eigenlijk nooit uitgetrouwd, want trouw aan je partner, trouw aan je priesterwijding, je doet daar heel je leven over. Als je iemand vraagt ‘hoe lang zijn jullie getrouwd’, zou dan ook het juiste antwoord moeten zijn: wanneer, we trouwen nog steeds!

Na 50 jaar kijk ik automatisch terug en denk: wat heb ik ervan gemaakt. Heb ik altijd de juiste keuzes gemaakt? Nou, vergeet dat maar! Onderweg naar God en elkaar zijn er ook duidelijk foutieve en minder goede keuzes aan te wijzen. Het is niet voor niets dat wij elke viering beginnen met elkaar en God om vergeving te vragen. Maar er zijn ook veel momenten waar ik heel erg dankbaar voor ben. Ik vind het nog steeds een fantastische en boeiende weg die ik met Gods volk onderweg mocht en nog steeds mag gaan. Niet altijd een gemakkelijke weg. De kerk van 1970 ziet er in 2020 heel anders uit? Eind jaren zestig, begin jaren zeventig, zijn kerk en wereld op drift geraakt. Het Tweede Vaticaans Concilie net achter de rug, de studentenonlusten die een nieuwe tijd inluidde. Als jongeren zouden we het maken! Duizenden hippies elke nacht in het Vondelpark en slapend op de Dam. En onze boodschap was eenvoudig: ‘All you need is love!’

Wat hadden we grote verwachtingen. Het Concilie had de ramen naar de wereld opengezet. In enkele jaren verdwenen de meeste groot- en kleinseminaries. Heel veel priesterstudenten stapten in dat jaar over naar andere studierichtingen op de universiteit, vooral in Nijmegen en Tilburg. Vooral de menswetenschappen als psychologie, etnologie, en sociologie waren populair. Als priesterstudenten bleven wij slechts met z’n tweeën wonen in dat grote vrijwel lege klooster tot onze priesterwijding. We hebben werkelijk als laatsten het licht uitgedaan. Daarna is het seminarie, waarin we toen woonden, gesloten. Een nieuwe tijd was aangebroken, de veranderingen hadden zich voorgoed ingezet. Deze na-oorlogse ontwikkeling en ontzuiling waren niet meer te stuiten.

We zijn nu 50 jaar verder. Niet alleen de wereld, ook de kerken zijn veranderd, maar voor mij steeds met dezelfde boodschap die in die 50 jaar overeind is gebleven: laat je in je leven maar leiden door de drie kernwoorden: geloof, hoop en liefde. Naast mijn werk als hoofd Godsdienst van de KRO-RKK-radio, en mijn deelname aan veel uiteenlopende besturen, bleef mijn aandacht aan Afrika en ook aan het pastoraat me trekken. Werken in het pastoraat is werken in een spagaat. Ze verwachten dat je als priester vooraan in de kudde loopt, om iedereen de richting te wijzen van geloof, hoop en liefde. Maar eerlijk gezegd, ik ben niet zo ’n vooroploper. Ik voel me het meest thuis áchter in de kudde, te midden van mensen die de richting in hun leven kwijt zijn. Daar voel ik me het best op mijn plaats. Niet op de plek waar duidelijke antwoorden worden gegeven, maar plekken waar ik ook mijn eigen vragen met anderen mag delen.

Ontroerd ben ik door de talloze verhalen van goede en minder goede momenten in het leven van mensen om me heen. Wat heb ik daar toch ontzettend veel van u geleerd! En ik ben dankbaar dat ik met velen in hun leven een eindje mocht en nog steeds mag meelopen. Meer dan eens heb ik ervaren dat de voornaamste plek voor een priester niet ín de kerk is, maar gewoon tussen mensen: Gods volk onderweg. En ik spiegel me daarbij aan Jezus zelf, die vaak in de tempel te vinden was, maar vooral te vinden was op straat, tussen mensen. Vooral tussen hen, die van de weg zijn afgeraakt, of aan de kant gedrukt, onder de voet gelopen. Bij hen ligt Jezus’ eerste zorg (en hopelijk ook de mijne!) Opnieuw ervaar je hoe je, ook als priester, behoefte blijft hebben aan een voortdurende bekering, een voortdurende ommekeer, naar God, naar elkaar en naar jezelf. Nee, nooit is het me zo duidelijk, als in deze tijd waarin we nu leven: priester worden is niet zo’n kunst, priester-worden daar doe je heel je leven over.

Ook in deze spannende coronatijd laat ik mij leiden door geloof, hoop en liefde. Die houden mij op de been. En van deze drie is de liefde nog sterker dan ons geloof. Dat houdt ons bij elkaar. Dat zegt Paulus ook in zijn eerste brief aan de Corinthiërs: ‘Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, dacht ik als een kind; nu ik volwassen geworden ben, heb ik het kinderlijke afgelegd. Thans zien wij in een spiegel, onduidelijk, maar dan van aangezicht tot aangezicht. Thans ken ik slechts ten dele, maar dan zal ik God ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. Nu echter blijven geloof, hoop en liefde, de grote drie, maar de liefde is de grootste.

Is geloof dan niet belangrijker dan de liefde? Ik kan u uit de droom helpen. Het Latijnse woord voor ‘ik geloof’ is het woord Credo. Dat woord bestaat uit twee woorden: ‘cor’ en ‘dare’. Het woord ‘Cor’ betekent ‘hart’ en het woord ‘dare’ ‘plaatsen bij’. Met andere woorden: je kunt alleen maar geloven in God en in elkaar, als je je hart bij God en bij de ander hebt liggen. Geloven doe je met hart en ziel. Dat is de kern van ons geloof. In ons geloven komt ons hart op de eerste plaats. Ik begrijp nu waarom Paulus zegt: het grootste van geloof, hoop en liefde, is de liefde.
Liefde beheerst ons leven. Als je de teevee of de radio aanzet, dan gaat het binnen een minuut al over liefde, maar ook in onze contacten met elkaar. De grootste van deze drie is de liefde. En dat klopt, want Liefde is een woord waar je niet over uitgepraat raakt. Het brengt je in vuur en vlam. Het begint tegenwoordig al heel vroeg. Een van de kinderen, 10 jaar oud, zei eens tegen me: ‘Ik heb een nieuwe vriendin’ ‘Zo’, zei ik, ‘is het je eerste vriendin’ ‘Nee’ zei hij’, ‘ik daarvoor nog twee vriendinnen gehad: Judith en Babet.’ Ik zei: ‘nou, kies je elke keer weer een nieuwe vriendin?’ ‘Ja’, zei het joch, ‘maar als ik achttien ben krijg ik een vriendin die dan m’n laatste is. Met haar trouw ik en dan blijven we altijd samen!’. Na zo’n gesprek denk ik: je kunt wel zien dat we in het jaar 2020 leven.

Kinderen praten wat gemakkelijker dan vroeger, en hoe klein ze ook zijn, al heel vroeg vinden ze het op de basisschool heel gewoon dat je op iemand bent. Toen een van mijn neefjes klein was zei hij tegen me: ‘ik heb een vriendin, ze heet Moniek, wij zijn vrienden’. Ik zei: ‘weet Moniek dat ook?’ ‘Nee, nog niet’, zei hij toen, ‘want ik moet het nog aan haar vragen of ze m’n vriendin wil zijn’. Ja als het over liefde gaat, is het zelfs al voor kleine kinderen een hot item.

De wonderlijke kracht van de liefde en de vriendschap. Het kan ook een dramatisch wonder zijn. Als je staat bij een sterfbed en als je ziet hoe partners in stilte, want woorden spelen nauwelijks een rol in de liefde, elkaars hand vasthouden totdat de ander verdwenen is achter de horizon. Een laatste kus, een arm wordt gestreeld, soms een kreet, een naam die wordt gestameld, een laatste oogopslag. Het zijn kostbare momenten die je een leven lang bij blijven. Woorden en gebaren die ons helpen om verder te leven. Daarom is het zo pijnlijk, als mensen plotseling sterven in het verkeer of in deze Coronacrisis. Dat slaat een geweldig gat in je leven. Want dat laatste gebaar, die laatste groet, als dat mogelijk is, is het laatste wat je als mens prijsgeeft. Het is een woord, een gebaar, zonder opsmuk, zonder verraad. Je hebt immer niets meer te verliezen. Toneelspel is volkomen overbodig. Je hoeft niets meer op te houden.

Een oud Latijnse kerklied zingt: ‘Ubi Caritas et Amor, Deus ibi est’ (waar vriendschap heerst en liefde, daar is God). Gods liefde is grenzeloos. En hoe zit het met onze liefde? Is onze liefde soms niet te veel begrensd? Als het om liefde en vriendschap gaat, kiezen we soms al te gemakkelijk voor degenen die dicht bij ons wonen. Sommige mensen mogen we graag, anderen helemaal niet, en weer anderen laten ons helemaal koud. Jezus zegt ons dat zijn Vader in zijn Liefde onbegrensd is, grenzeloos dus. In de Liefde liggen er voor Jezus geen scheidingslijnen tussen mensen. Liefde voor mensen met wie je samenleeft, maar ook liefde voor de mensen die met miljoenen hun land moesten verlaten omdat hun land verscheurd is en wordt door oorlogen, terrorisme en hongersnood.

Tussen mijn boeken staat een boekje met een spreuk voor elke dag, geïnspireerd door de H. Augustinus. Het boekje heet: ‘Eert in elkaar God’. Daar kwam ik o.a. de volgende spreuk tegen: ‘Wij kunnen wel roepen tot God, maar als het gebed enkel bestaat uit een stemoefening, zonder dat het hart op de liefde van God en op gericht is, wie twijfelt er dan aan dat dit alleen maar tijdverlies is’. Tenslotte geef ik u nog één wijs advies van de Augustinus. Hij schreef toen: bemin en doe wat je wilt. Wil je zwijgen, zwijg uit liefde. Wil je schreeuwen, schreeuw uit liefde. Wil je elkaar corrigeren, doe dat uit liefde. Wil je vergeven, vergeef uit liefde. Draag de bron van liefde in je hart want uit liefde en vriendschap kan alleen het goede voortkomen.

Zoals Jezus dat vandaag ook tegen ons heeft gezegd: ‘Blijf in liefde met Mij verbonden. Als je mijn opdracht ter harte neemt, zul je ook in liefde met Mij verbonden blijven’. Dat is onze opdracht: leven in liefde en vriendschap, met elkaar, maar vooral ook met God. Hij is Degene aan wie je je roerselen in je ziel kunt toevertrouwen, zowel in verdrietige dagen als blijde dagen. En naast geloof en liefde staat de hoop centraal. Daar vertrouw ik ook op. Dat er, God zij dank, ooit weer eens een tijd zal komen dat wij in elkaar weer in onze armen kunnen en mogen sluiten. En hopelijk zal dat de tijd zijn, waarin we volgend jaar, in april of mei, mijn 51-jarig jubileum samen hartelijk kunnen vieren. En 51 is toch ook een mooi getal…

Ambro Bakker s.m.a.
Locatie: H. Augustinus

50 jarig priesterfeest Ambro Bakker s.m.a.

VERBORGEN SCHATTEN

zondag 26 juli 2020
17-de zondag door het jaar – A
1 Koningen 3:5+7-12 , Romeinen 8:28-30 en
Matteüs 13:44-52
Ambro Bakker s.m.a.

Beste parochianen,

oester met parel

ik kan het eigenlijk niet laten. Als ik weer eens mijn sleutels of mijn agenda kwijt ben, bid ik een schietgebedje tot de heilige Antonius van Padua: ‘Antonius, mijn beste vrind, zorg dat ik mijn sleutels en agenda wedervindt’. En vaak gebeurt dat ook.

De meeste mensen kennen de H. Antonius (1195-1231) als de patroon van de verloren voorwerpen. Maar weet u dat deze heilige ook een begenadigd predikant was? Zo hield hij op een keer bij een overleden gierigaard een begrafenispreek. In het vuur van zijn preek zei hij: ‘beste mensen, gaat u eens bij de overledene in de kist kijken’. De toehoorders maakten nieuwsgierig de kist open en zagen daar de rijke vrek liggen. Maar op de plaats waar zijn hart moest zitten zat een enorm gat. ‘Waar is zijn hart gebleven’, vroegen de omstanders ontzet. Antonius zei toen: ‘in het evangelie staat, waar uw schat is, daar is ook uw hart. Als u het hart van deze man zoekt, dan moet u inderdaad maar eens in zijn geldkist gaan kijken. Een rijke vrek die in zijn leven al zijn hart is kwijtgeraakt. En dit thema vindt u vandaag in het evangelie. Een waarheid als een koe, want laten we eerlijk zijn, lieve mensen, waar je schat is daar ligt je hart.

Beste mensen, waar is uw schat te vinden? Als kind hadden we geen tv, geen computers en geen mobiele telefoons, we speelden met alle kinderen vooral samen op straat. En gelukkig waren er toen nog niet zoveel auto’s. En als het regende speelden we graag op de zolder van de buren. Dat vond ik altijd schitterend, want in een van die geheimzinnige dozen, ouwe koffers en kisten zou wel een schat verborgen kunnen liggen, of tenminste een ouwe landkaart, die ons naar een verborgen schat kon leiden. Als we die niet vonden, dan deden we een oude bloemetjesjurk aan en speelden je onze vriendjes piraatje. Als kind dachten wij dat er schatten op zolder lagen, maar ik weet nu wel beter. Daar zijn geen schatten of schatkaarten te vinden.

In het evangelie is er vanmorgen wel sprake van een verborgen schat. Een knecht van een herenboer is aan het ploegen en vindt een pot gouden munten, niet op de zolder, maar begraven in de grond. Niet eens zo verwonderlijk, want in vroeger tijdens begroeven mensen soms hun geld in een kruik in de grond als ze op reis gingen. Want banken waren er toen nog niet. Het waren tijden van oorlogen en onrust. En als de eigenaar van de munten op het slagveld achterbleef, wist niemand meer waar hij zijn gouden munten had begraven. De schat bleef aan de aarde toevertrouwd… tot er een gelukkige vinder kwam.
De boerenknecht uit het evangelie vindt zo’n pot met gouden munten. Hij stopt de kruik weer gauw in de grond, want volgens het joodse recht behoorde de schat toe aan de eigenaar van de grond. Wat deed de slimme boerenjongen? Hij verkocht zijn schamel bezit, stak zich diep in de schulden om dat stukje grond te kopen. Zijn dorpsgenoten snapten er niets van. Wie geeft nu zoveel geld uit voor zo’n een klein stukje grond? Totdat ze te weten kwamen dat er een schat in de grond begraven lag. Toen vond iedereen het heel begrijpelijk dat hij zich diep in de schulden gestoken had!

Vervolgens vertelt Jezus het verhaal van de parelvisser. Ook die steekt zich diep in de schulden om in het bezit te komen van de mooiste parel die hij in zijn leven gezien heeft. Niemand wist wat die parel waard was, maar de man vond het de moeite, ja zelfs alle moeite waard. Parels zijn heel kostbaar. Naar oude overleveringen is het ontstaan van de parel te herleiden tot het binnendringen van de bliksem in de oester. In de Griekse mythologie daalde de oppergod Zeus als bliksem in een schelp en verwekte de schone Aphrodite. In de Bijbel komen we de parel tegen als beeld van de hemel dat in de aarde verborgen ligt en aan het licht wordt gebracht en aan de aarde ontrukt als iets heel kostbaars. Jezus zegt: ‘Geef het heilige niet aan de honden en werpt uw parels niet voor de zwijnen (Matteüs 7:6).

Parels geven toegang tot het hemelse Jeruzalem, de gouden stad met muren van edelstenen en in die muren twaalf poorten. En die twaalf poorten waren twaalf parels. (Apokalyps 21:21) Op verheven wijze symboliseert de parel de menswording van Christus, het wonder van de ontvangenis en de geboorte. De Griekse Kerk zingt in het Maria-officie: ‘Wees gegroet, o schelp, die de goddelijke parel voortbracht’. Voor de Belgische priester-dichter Guido Gezelle is die goddelijke parel de hostie in de kelk, waarin op Goede Vrijdag het lichaam van Jezus opnieuw terugkeert in de schoot van zijn moeder.

‘t Waren spannende verhalen. Dat vonden de mensen die naar Jezus luisterden ook. Maar Jezus vertelde deze verhalen niet om de omstanders te amuseren. Zijn verhalen waren concrete richtlijnen naar God toe. Veel verhalen zijn gevaarlijk, omdat ‘t geen ‘veilige’ verhalen zijn. Het zijn verhalen die je niets nieuws beloven. Ze bevestigen de status quo. Wat vertellen wij thuis aan elkaar? Welke verhalen vertelt u aan uw kinderen, welke verhalen hoor je vanaf de kansel? Zijn het oude verhalen of is het iets nieuws?

Jezus wilde de mensen geen sprookjes vertellen om mensen te amuseren. Nee, zijn verhalen waren van een dodelijke ernst! Het waren concrete richtlijnen – richting zijn hemelse Vader. Zijn verhalen zetten mensen aan het denken. Zijn ook wij bereid om, als het om ons geloof gaat, wij in ons leven daarvoor de hoogste prijs betalen, om zo in het bezit te komen van die kostbare schat? Of blijven we maar buitenstaanders, die geen risico’s durven nemen en de schat van ons geloof maar in de grond laten zitten? Is uw geloof in God en in elkaar inmiddels ook intussen ten gronde gegaan?

Jezus heeft aan ieder van ons, bij onze geboorte, een schatkaart gegeven. Hij heeft zelfs aangegeven waar wij moeten graven in ons leven. En die plek ligt helemaal niet eens zo ver! Het geluk is net als je bril: vaak ben je ernaar op zoek, terwijl hij intussen al op je neus staat! Dat zeggen ook de profeten: ‘het Koninkrijk Gods ligt niet aan de andere kant van de oceaan, het ligt in je eigen hart en op je eigen lippen’. Soms kijken we in ons leven te veel richting Washington, het Kremlin, het Franse Élysée of Downingstreet 10 en dan wachten we maar af. Maar de voornaamste beslissingen worden niet door hen genomen, maar vinden plaats in ons eigen hart?

Beste mensen, als je wérkelijk verder wilt, dan zul je in je eigen leven deze geloofsschat moeten opgraven, en alles op alles zetten om in het bezit van die parel te komen. Je zult keuzes moeten maken, en doodlopende wegen moeten zien te vermijden. Dan zul je je naaste kunnen vinden als een schat in de akker, die als een parel ook uw leven weer glans kan geven.

Waar die schat te vinden is? In het Poolse Krakau woonde eens een rabbi. Hij heette Rabbi Eisik, de zoon van Jekel. Op een nacht kreeg hij een droom die hem vertelde dat er een schat begraven lag onder de brug van het koninklijk paleis. De volgende dag – in alle vroegte – is hij naar het koninklijk paleis gegaan. Maar helaas bewaakten soldaten de brug. Die zagen hem rond de brug zwerven. Ze vertrouwden hem niet en ze namen hem gevangen. Toen vertelde Rabbi Eisik van zijn droom. ‘Ik droomde dat er een schat onder de brug naar het paleis van de koning begraven ligt’. Lachend lieten de soldaten hem vrij.

De kapitein zei: “Arme kerel, op de weg hierheen heb je bijna de zolen van je schoenen versleten van dat stuk dat je gelopen hebt. Weet je, ook ik heb vannacht gedroomd dat er een schat lag, en wel in Krakau. Hij is begraven onder de haard van een man die Eisik heet. Denk je dat ik nu naar Krakau ga? De helft van de mensen in Polen heet daar Eisik!’. Rabbi Eisik begreep hem en boog zijn hoofd en liep toen snel naar huis en groef daar de schat op die onder zijn eigen haard begraven lag…

Wat een mooi verhaal. Stel je voor: de schat van je leven ligt begraven onder je eigen haard! Die kostbare parel ligt binnen je handbereik! Een schat die zichtbaar wordt en zich laat opgraven waar wij elkaar in geloof, hoop en liefde nabij zijn. Want de schat waar we in ons leven naar zoeken is niet ‘iets’ maar altijd ‘iemand’. En is zo’n schat niet de moeite waard om daar alles voor prijs te geven? Misschien, nu de tv-uitzendingen van Amstelland gestopt zijn, dat wij weer ervaren dat er ook een grote schat in de kerk ligt, in het huis van God.

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam
locatie: Augustinus

VRUCHT DRAGEN

Zondag 12 juli 2020
Vijftiende zondag door het jaar – A
 Jesaia 55:10-11,
Romeinen 8:18-23 en
Matteüs 13:1-23
Ambro Bakker s.m.a.

 

Het evangelie van vandaag begint met de zin: ‘Op zekere dag verliet Jezus zijn huis en ging aan de oever van het meer zitten’. En ik zie Hem daar zitten: te midden van de natuur, in alle stilte. Een uitstekende plek om te mijmeren, om na te denken, om even te vertoeven bij zijn hemelse Vader. Maar de mensen gunnen Hem die rust niet. Zee hebben al zoveel over Jezus van Nazareth gehoord, dat hun verwachtingen hooggespannen zijn. Jezus heeft het voortdurend over een Hemelse Koninkrijk vol Gerechtigheid. Wanneer komt Hij met die nieuwe hemelse wereld. Komt er nog wat van? Omwille van die grote menigte die zich verzameld heeft, moet Jezus in een boot stappen, om vanaf de boot het volk toe te spreken. Een betekenisvolle plaats: preken vanaf het water, symbool van leven en dood. Lees “VRUCHT DRAGEN” verder

WEES NIET BANG

zondag 21 juni 2020
De Goede Herder – Amsterdam
12de zondag door het jaar – A
Lezingen: Jeremia 20:1—13 en Matteüs 10:26-33

Inleiding op de viering

wees niet bangHet evangelie begint vandaag met: ‘In die tijd zei Jezus tot zijn apostelen: Weest niet bang’. We hoeven niet bang te zijn. Er schijnt zelfs iemand uitgerekend te hebben dat de aansporing ‘Wees niet bang’ in de Bijbel maar liefst 365 keer voorkomt. Het gaat dan ook om de varianten: vrees niet, wees niet angstig, laat uw hart niet verontrust worden, heb geen schrik, laat u niet ontmoedigen, wees niet ontsteld, houd moed en Ik zal je helpen. Lees “WEES NIET BANG” verder