VECHTEN TEGEN DE BIERKAAI

zondag 31 juli 2022
18de zondag door het jaar – C
Prediker 1:2+2:21-23,
Kolossensen 3:1-5+9-11 en
Lucas 12:13-21
Ambro Bakker s.m.a.

Vechten tegen de bierkaai

Als je iets in je leven wilt bereiken, en het lukt je maar niet, dan heb je het gevoel dat je vecht tegen de bierkaai. Weet u waar die uitdrukking vandaan komt? Het stamt uit de tijd dat het bier met menskracht uit het ruim van het schip gehaald moest worden. De biersjouwers, die de hele dag met de zwarte vaten sjouwden, waren beresterk. Bovendien snoepten ze nogal eens van de inhoud. Het is daarom slecht vechten met dronken biersjouwers, dat is vechten tegen de bierkaai. Nee, dan maar beter een straatje omgaan!

En dat heb ik als kind al geleerd, want waar ik geboren ben, in Alkmaar, hadden we een straat langs het Noord-Hollands kanaal, en die straat heet: de Bierkade. En als kind liep ik er altijd met een grote boog om heen! Gaat het hier om verslaafde mensen? In zekere zin zijn we allemaal wel aan iets verslaafd. En om daarvan af te komen moeten we vechten tegen de bierkaai. En dan bedoel ik niet alleen de verslaving aan alcohol of drugs Je kunt aan álles verslaafd raken. Je kunt zó verslaafd raken aan seks dat je de waardigheid van de ander uit het oog verliest.

Je kunt je zó geven aan je werk en je toekomstplannen dat je huisgenoten eronder te lijden hebben. Er zijn mensen die zo verslaafd zijn aan televisie dat er ’s avonds binnen het gezin nog geen tien woorden worden gewisseld. Huwelijken breken, vriendschappen worden zwaar op de proef gesteld. Je kunt aan alles verslingerd raken aan seks, genot, tabak, drugs, werk, macht, bezit, geld, aanzien. En telkens weer gaat het om het feit dat wij hebbedingetjes in het leven belangrijker vinden dan mensen. Zo verliezen we vaak elkaar uit het oog.

In het evangelie horen we hoe mensen ook vaak ruzie maken over een erfenis. Een oud maar altijd weer actueel verhaal. Bij erfenissen leer je de gulzigheid van mensen kennen. Voordat iemand zijn ogen sluit, worden de eerste spullen het huis al uit gesjouwd. Over verslaving gesproken! In het evangelie gaat het over een jong iemand die zó hebzuchtig is dat hij weigert de erfenis met zijn broer te delen. Wat doe je in zo’ n geval? Dan zoek je een rabbi op. Zo komen ze bij Rabbi Jezus. Ze verwachten van Hem een uitspraak. Natuurlijk zal Jezus zeggen: doe niet zo flauw, deel die erfenis toch… Maar dan neem het verhaal een verrassende wending. Jezus weigert rechtertje te spelen en geeft béide jongens ervan langs. Hij is op dat moment op weg naar Jeruzalem, terwijl Hij weet wat Hem daar te wachten staat, maar zelf geen steen heeft om op te liggen.

Jezus heeft dan ook wel wat anders aan zijn hoofd dan een erfeniskwestie: laat het wettig gezag dat maar regelen. Hij waarschuwt beide jongens alleen voor hun mateloze hebzucht. Geen enkel bezit kan je veiligstellen. En Jezus vertelt dan het verhaal van de man die verslaafd raakt aan zijn bezit. Grote schuren liet hij bouwen, steeds groter. Maar op een dag is hij gestorven en lag hij zomaar dood in zijn bed. En zoals we intussen allemaal weten: de dood heeft geen zakken. Meenemen kun je niets. We zijn nu eenmaal naakt geboren en naakt keren we terug naar de hemelse Vader. Veel draait tegenwoordig altijd om macht, geld en bezittingen. Jezus waarschuwt ons daarvoor.

Maar wat is er dan eigenlijk fout in de handelswijze van die rijke man uit het evangelieverhaal? Hij doet toch alleen maar wat ieder mens met gezond verstand doet. Als de oogst bijzonder goed meevalt, gaat hij op zoek naar een mogelijkheid om de vruchten van de oogst behoorlijk te kunnen opslaan. Is dat verkeerd? Is dat een uiting van hebzucht? Nee, maar aan het einde van het verhaal merk je waar de schoen wringt: de man heeft alles voor zichzelf gehouden en heeft nagelaten van zijn overvloed te delen met de armen. Had hij dit wel gedaan, dan zou hij zich bij God een schat verworven hebben. Naar de man uit het evangelieverhaal heeft alleen oog voor datgene waarover hij kan beschikken en zijn eigen leven in goede banen te leiden en veilig te stellen. Hij vergeet dat wij mensen het leven ‘gekregen’ en ‘ontvangen’ hebben. Wij zijn bij onze geboorte voortgekomen uit de handen van God, en wij keren in zijn handen terug. Wij ‘bezitten’ ons leven niet. Ons leven is een voortdurende gave en overgave aan God.

Wij kunnen ons niet veiligstellen door ons in onze bezittingen op te sluiten, hoe groot en ruim de voorraadschuren ook moge zijn. Een man verslaafd aan materialisme: schuren afbreken en steeds grotere bouwen, schatten op­bergen, geld voor jaren vastleggen voor later, maar voor welk later. Dwaas, nog deze nacht komt men je leven opeisen! En wie denkt dat dit evangelie dus over jouw buurman gaat en niet over ons, moet maar bedenken dat we min of meer allemaal behept zijn met de mentaliteit van die boer. Wie van ons is niet voortdurend bezig om zijn bezit te vergroten? Wie van ons wil zijn leven niet zo aangenaam mogelijk inrichten? Is geld dan zo verkeerd, natuurlijk niet. Een apotheker heeft zoveel vergif in huis dat hij een halve stad om het leven kan brengen. Is hij daarom zelf vergiftigd? Zo kan iemand veel geld hebben zonder dat hij door geld bezeten is en erdoor wordt vergiftigd. ‘Dwaas” zijn we allemaal, als het geld ons hele leven beheerst. Als we alles voor geld over hebben, zelfs het leven van onze naaste of van onszelf.

‘Dwaas’ zijn we voor wie bezit de laatste zekerheid is. Je leven kun je alleen maar veiligstellen bij God. Hij is het die het leven schenkt, schept en behoudt. Elk mens is wel ergens aan verslaafd. En dan bedoel ik niet alleen de verslaving aan alcohol, tabak of drugs. Wij kunnen overal verslaafd aan raken. En telkens weer gaat het er dan om dat je dan dingen in het leven belangrijke gaat vinden dan God en de mensen om je heen. Zo verliezen mensen God en elkaar uit het oog. Dan draai je alleen maar om jezelf heen.

Het valt me in het evangelie van vandaag op dat er zes keer gesproken wordt over ‘ik’. Ík ben belangrijk!’. Vandaag gaat het over een rijk iemand. Wat moet ík doen? Ík weet het: Ík ga grotere schuren bouwen. Daarin zal ík heel mijn rijkdom opbergen. Dan zal ík tot me zelf zeggen: ‘man rust uit en geniet ervan. Ikke, ikke, ikke, en de rest vult u zelf maar aan. De evangelist Lucas is zeer geïnteresseerd in de tegenstelling arm-rijk. Al vóór Jezus geboorte laat hij Maria zingen, dat de rijken leeg zullen worden teruggestuurd. Als enige noteert hij dat er arme herders bij de geboorte van Jezus op bezoek komen. Hij geeft daarmee aan dat Jezus zelf afkomstig is uit de onderklasse. Bij de besnijdenis van hun Zoon geven Maria en Jozef het vastgestelde tarief voor de armen: een koppel duiven. Johannes de Doper laat hij zeggen: ‘als iemand twee hemden heeft, laat hij er dan een aan de armen geven’.

Maar liefst achttien keer schrijft Lucas over de macht en het gevaar van de rijkdom. Het boek Prediker gebruikt voor die rijkdom en voor de houding van de rijken een andere term: ‘ijdelheid’, dat ‘hebel’ (een vleugje wind) betekent. Rijkdom is zo stabiel als de wind, evenals alle bezittingen. Maar niet alleen bezit kan verlammend werken. Ook het bezit van bijvoorbeeld ‘de’ waarheid kan mensen binnen en buiten de kerk tot robots maken. Je kunt zó aan je eigen waarheid blijven hangen, dat je er aan verslaafd raakt. ‘Dwaas’, zegt God, ‘nog deze nacht komt men je leven opeisen!’ Niet geld en goed, geen eigen waarheid, maar Gods liefde is eeuwig. Stel je leven in dienst van de Liefde, en leef ernaar. ‘Dan vergaar je geen schatten voor jezelf, maar ben je rijk bij God’.

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam
H. Augustinuskerk en H.Urbanuskerk Ouderkerk aan de Amstel