BROOD UIT DE HEMEL

zondag 19 juni 2022
Sacramentsdag – C
Genesis 14:18-20,
R1 Korintiërs 11:23-26 en
Lucas 9:11b-17

Sacramentsprocessie

Vandaag overwegen wij dankbaar wat ons leven te danken heeft aan de gave van het heilige Brood. Brood dat staat voor leven. Bij brood hoort drank, kleding en een huis, de eerste levensbehoeften van de mens (Jezus Sirach 29:21). Miljoenen mensen werken hiervoor en leven ervan. Vaak lijkt dit het enige waarvoor wij leven: brood en spelen. ‘In het zweet zul je werken voor je brood’ (Gen. 3:19). Brood is meer dan een vrucht, die je zomaar van de boom plukt. Het is niet alleen de een gave van een samenspel van zon en aarde, het is ook de vrucht van onze menselijke arbeid. Alleen aan uitverkorenen valt brood ten deel, dat niet door mensen gebakken is.

Toen de hongerige Israëlieten het manna vonden in de woestijn, legde Mozes hen uit: ‘Dit is het brood dat Jahwe u te eten geeft’ (Ex. 16:11-16). De psalmist zingt daarom: ‘Hij liet het manna als spijs op hen neer regenen, hemelkoren was het wat hij hun gaf: ‘brood voor de engelen kreeg iedereen te eten. Hij zond hen voedsel toe – tot verzadiging’ (Ps. 78:24-25) En Mozes zal later zeggen: ‘Hij heeft u honger laten lijden, maar u ook het manna te eten gegeven dat gij noch uw vaderen ooit hadden gezien. Hij wilde u daardoor laten beseffen dat de mens niet leeft van brood alleen, maar van alles wat uit de mond van Jahwe komt’ (Deut.8:3).

Ook bij de profeten speelde het brood een grote wonderlijke rol. Toen Elia moest vluchten voor de hongersnood, gaf Jahwe hun opdracht oostwaarts te vluchten naar het zijdal van de Jordaan: ‘Uit de beek kunt ge drinken en aan de raven heb ik bevolen u daar van voedsel te voorzien. En zij brachten ’s avonds brood en vlees en hij drinken uit de beek’ (1 Kon.1:2-7). En in de hongersnood die volgde vermenigvuldigde hij de laatste handvol meel van de weduwe in Sarepta, zodat zij te eten hadden’ (1 Kon 1:8-16).

Dat was het Oude Testament. In het Nieuwe Testament staat onder andere dat Jezus, na veertig dagen vasten in de woestijn, door de duivel werd bekoord. De duivel zei tegen Jezus:’ heb je honger, jij kunt toch van stenen brood maken?’ En Jezus hield hem uit de oude Wet voor: ‘Er staat geschreven: Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God komt’ (Mat.4:14). ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’, leerde Jezus ons bidden. In het zesde hoofdstuk van het Sint-Johannesevangelie begint met het verhaal van de wonderbare broodvermenigvuldiging, waarin mensen een teken zagen van de Profeet die in de wereld moet komen (Joh. 6:1-15). De volgende dag sluit Jezus daar uitvoerig op aan en roept daarbij de herinnering wakker aan het ‘Brood uit de Hemel’ dat God de vaderen in de woestijn te eten gaf. Toen sprak Hij: ‘Ik ben het Brood des levens, wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben’ (Joh. 6:35).

‘Ik ben het Brood des levens. Uw vaderen die het manna in de woestijn hebben gegeten zijn niettemin gestorven, maar dit brood daalt uit de hemel neer, opdat wie ervan eet, niet sterft. ‘Ik ben het levend brood dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid’ (Joh.6:48-52). Brood en wijn geven gemeenschap met Christus. Bij het laatste Avondmaal ’nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan zijn leerlingen met de woorden: ‘Neemt en eet, dit is mijn Lichaam’ (Mat.26:26). De jonge Kerk begreep het geheim van de Eucharistie als een werkelijke aanwezigheid van de Heer in verbinding van Zijn leven met de onze. ‘Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het Lichaam van Christus? Omdat het brood één is, vormen we samen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood’ (1 Kor. 10:16-17). Want dit had Jezus gezegd: ‘Zoals ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij’ (Joh.6:57).

Wij zijn nu aangekomen aan het evangelie dat gaat over broden en vissen. Wij horen dat de leerlingen op bevel van Jezus zijn rond gegaan om overal te preken. Ze zijn enthousiast. Hun woorden schieten raak. Ze zijn enthousiast over hun succes. Nu begint de avond te vallen. Veel mensen zijn de hele dag bij Jezus gebleven, hebben aan zijn lippen gehangen. Nu, zeggen de apostelen: moeten de mensen huiswaarts, want ze moeten eten. De leerlingen hebben gepreekt. Waarover? Natuurlijk over: ‘Heb je vijand lief, zoals God jou liefheeft. Geef en jou zal gegeven worden.’ Dat zal, kort samengevat, de inhoud van hun preken zijn geweest. Maar nu de mensen honger hebben, willen ze die mensen wegsturen. Jezus zegt: ‘geven jullie ze maar te eten!’ De leerlingen zeggen: ‘we hebben maar vijf broden en twee vissen?’ Jezus geeft hen een teken. Hij spreekt over het brood een dankgebed en geeft ze terug aan de leerlingen en zegt: ‘deel maar uit. Deel wat je hebt. Al is dat nog zo weinig. Je zult zien, dat als mensen delen, er altijd genoeg is!’

Dat verhaal hebben de leerlingen van Jezus doorverteld aan hun vrienden, en zo is ‘t uiteindelijk bij ons terechtgekomen. Vertellen wij met dezelfde eerbied dat verhaal door aan onze kinderen? De laatste vijftig jaar is er veel veranderd – gelukkig ook veel ten goede. We gaan wat minder kwezelachtig om met ons geloof. Vroeger borgen we het Heilig Sacrament op in een monstrans, dat bezet was met diamanten en dure prachtige erfstukken. Gaat het om gewijde of ongewijde handen? Maar elke hand wordt gewijd die vol geloof de Heer ontvangt en doorgeeft. Want zo houden wij Jezus levend in ons midden. Bij de communie ontvangen we geen ‘stukje van Jezus’: Het is ‘n uitnodiging om – al etend en drinkend – gevoed te worden door Jezus’ mentaliteit.

Daar word je als mens beter van, omdat je in je mens-zijn toegroeit naar Gods beeld en gelijkenis. Jezus heeft Zich niet aan ons gegeven om Zich weg te laten stoppen in een gouden huisje. Wij mogen het brood breken en delen, als uitdrukking van ons leven, en als aansporing om het beste in jezelf te delen met elkaar. Niet voor niets zegt Jezus: ‘als je aan het altaar komt, en je herinnert je, dat iemand iets tegen je heeft, laat dan je gaven bij het altaar achter en ga je eerst met je broeder verzoenen. Kom dan terug!’ Soms denk ik weleens dat het vroeger gemakkelijker was. Je zat als misdienaar in een rode toog eerbiedig voor het sacrament tijdens het lof, een uur van aanbidding van het Allerheiligste. Dan kon je je echt even terugtrekken uit het gewone leven. Even bij God zijn en even op God lijken. Even bij God in de hemel zijn.

Vandaag de dag moet je wel weten wat je doet als je ‘ja en amen’ zegt bij het ontvangen van het brood. Dan moet je weten wat daarvan de consequenties zijn, wat er van je gevraagd wordt. Eucharistie vieren is: de uitdaging durven aangaan. De uitdaging durven aangaan om deze wereld en jezelf beter te maken.

Eucharistie is niet alleen een gave van God, maar ook een opgave: om te zijn – om je te gedragen – zoals Hij. Zo kan de eucharistie een halteplaats worden voor onderweg, waar je even op verhaal komt, waar mensen elkaar in geloof kunnen ontmoeten en met elkaar hun geloof mogen delen. Even uitrusten van de voorbije week, dankbaarheid uiten en verdriet verwerken, maar ook uitzien naar de dag van morgen, om dan samen weer op weg te gaan, onder de zegen van God. Op zondagmorgen is de kerk hier geen verblijfplaats, maar een halteplaats. Even stilstaan en dan weer verder trekken. Na de eucharistieviering komt je leven van alle dag, met ups en downs.

Dan moet blijken – als het goed is – dat je door alles heen, zelfs door ontrouw en zonde heen (denk maar aan Petrus), toch telkens weer ertoe wordt opgeroepen ‘één uur met Jezus te waken’ om daarna het wel en wee van elke dag weer aan te kunnen. We kunnen er – als kinderen van God – weer een tijdje tegen! De meesten van u ontvangen het brood niet meer op de tong, maar in de hand. Niet gewijde handen. Of juist handen die door het brood gewijd worden om te doen wat gedaan moet worden. Niet door Jezus alleen te belijden met onze tong, maar door Hem tot leven te laten komen in en door onze handen. Zo krijgt God ook vandaag handen en voeten in een wereld die de opdracht heeft om steeds meer uit te groeien tot Zijn wereld.

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam
H. Urbanus Ouderkerk aan de Amstel, H. Titus Brandsma en H. Augustinus

BROOD UIT DE HEMEL

zondag 1 augustus 2021
18e zondag door het jaar – B
Exodus 16:2-4.12-16,
Efeziërs 4:17+20-24 en
Johannes 6:24-35

Wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben
En wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.
Wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben;
        En wie in Mij gelooft zal nooit meer dorst krijgen.

Vier zondagen lang lezen we uit de broodrede uit het zesde hoofdstuk uit het Johannes-evangelie. Vorig weekend hoorden we het verhaal van de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. Vier zon­dagen lezen we uit de broodrede uit het zesde hoofdstuk uit het Johannes-evangelie. Vorig wee­kend hoorden we het verhaal van de wonderbaar­lijke broodvermenigvuldiging. In dit tweede wee­kend gaan we verder met dit verhaal. Opnieuw noemt Jezus zichzelf hier ‘brood des levens’. Hij doet dat terwijl hij omgeven is met mensen die Hem opnieuw om brood komen vragen.

Er is duidelijk sprake van een misverstand. Hij heeft hen verrast met het brood dat Hij hen gaf, toen ze honger hadden. Ze komen nu terug voor datzelfde brood. Jezus verwijt hen dat ze niet hebben gezien dat het brood wat Hij toen gaf een teken was voor heel iets anders. Maar daarin zijn velen niet in geïnteresseerd, want ze willen opnieuw gratis brood krijgen om zo hun honger te stillen. Maar Jezus had het ons toch zelf geleerd in het onze Vader: ’Geef ons heden ons dagelijks brood’. Door heel onze mensen­ge­schiedenis loopt toch de rode draad van honger en dorst. Oorlogen, opstanden, revoluties en volksverhuizingen zijn voortgekomen uit gebrek aan voedsel. De gesel van de honger teistert nu nog miljoenen mensen op onze aarde. Ook in het leven in onze tijd komt de honger telkens weer terug. Honger is de mens eigen.

Lees verder “BROOD UIT DE HEMEL”

GESTERKT DOOR HET VOEDSEL VAN DE HEER

9 augustus 2015
De Goede  Herder
1 Koningen 19, 4-8;
Efeze 4, 30 – 5, 2;
Johannes 6, 41-51

Vandaag horen we over de profeet Elia die het leven meer dan zat is. Misschien herkent u dat gevoel, van uzelf of van iemand uit uw omgeving. Levensmoe. Een voltooid leven wordt het tegenwoordig soms wel genoemd. Maar achter dit luchthartige taalgebruik gaat vaak veel teleurstelling en onmacht schuil. Elia had een zware strijd achter de rug. Hij was opgekomen voor zijn God. Hij had de priesters van Baäl met succes bestreden, maar nu werd hij bedreigd door zijn vijanden en was naar de woestijn gevlucht. Hij vroeg zich af of het allemaal nog wel zin had: steeds in zijn eentje opkomen voor bepaalde waarden. Lees verder “GESTERKT DOOR HET VOEDSEL VAN DE HEER”