LEVEN IS TOCH OVERWINNEN

zondag 4 april 2021
Hoogfeest van Pasen – B
Handelingen 10:34a+35-43,
Kolossenzen 3:1-4 en
Johannes 20:1-9
Ambro Bakker s.m.a.

Paasmorgen

De liturgische kalender laat ons vandaag de keuze tussen twee verschillende Paas­evangelies, en wel die van Johannes en die van Marcus. Ze vertellen beiden het verrijzenisverhaal maar doen dat op hun eigen manier.

De meer toegankelijke tekst van het Jo­hannes heeft mijn voorkeur. Dit evan­gelie eindigt met een ‘happy End’. De tekst van Marcus eindigt met het weg­vluchten van de vrouwen die naar het graf gekomen waren. Ze trekken weg omdat ze bang zijn. Dat einde was zo onbevredigend, dat er pas later aan het einde van Marcus nog een stukje werd toegevoegd! Maar nogmaals: boeiend, maar ingewikkeld om het Paasevangelie van Marcus te nemen, maar zoals de meesten, kies ik vandaag ook maar voor het Paasevangelie van Johannes.

De Heilige Schrift vergelijkt de opstan­ding van Jezus met het opstaan van elke dag. De zon gaat op – het is tijd om wakker te worden – dus gaat Jezus naar buiten. Maar hoe? Hij is toch dood? Ach, wat dood. Wat kan Hem de dood schelen. Hij doet het eenvoudig alsof hij niet in het graf ligt. Daarom vinden we in zijn graf ook niet de sporen van ‘n gevecht op leven en dood. De Bijbel vertelt ons hoe de doeken, waarin zijn lichaam gewikkeld waren, keurig lagen opgerold op een andere plek. Jezus heeft daar dus in de vroege morgen heel rustig zijn kleren staan opvouwen, zoals wij na het opstaan ons bed opmaken, alsof er niets bijzonders aan de hand is!

Er is een wonderlijke stilte in dit ochtenduur. Er komt zelfs geen protest uit de hel. Er zingen geen engelen zoals bij zijn geboorte. Dat is vroeger wel anders geweest! In de woestijn had Jezus de dood overwonnen, na een twistgesprek met de duivel over macht, geld en aanzien, maar nu is er zelfs geen plaats voor een twistgesprek. Zelfs geen twistge­sprekken met Magere Hein. Want die telt gewoon niet meer mee! De dood is lucht voor Jezus. Misschien geven wij met Pasen de dood nog veel te veel eer, als wij alsmaar over de dood praten en zingen, dichten en schrijven. Alsof we ons graag uit het graf willen laten halen! Maar op Pasen is de dood geen partijganger meer, niet eens de moeite waard meer om je er druk over te maken. Dat doodgewone ‘opstaan’ van ons elke dag wordt mogelijk door het ‘gewone opstaan’ van Jezus op Paasmorgen.

Eigenlijk is het Paasverhaal een humoristisch verhaal. Jezus loopt glimlachend naar bui­ten, alsof het om een stacaravan gaat, waar je naar believen in en uit kunt gaan. Hij wandelt zó rustig door de tuin dat een van zijn vriendinnen denkt dat Hij de tuinman is. Hij vliegt niet tussen de bomen als een spookgestalte. Hij hóórt zo bij de lente-tuin, dat je zou zeggen: het moet de tuinman zelf zijn! Als Jezus door een hof loopt, lijkt Hij op de hovenier. Als Jezus door een fabriek loopt lijkt het wel alsof Hij bij de fabriek hoort. Als Jezus bij ons op kantoor komt, lijkt het wel alsof Hij er al jarenlang werkt. Jezus laat zien dat Hij ‘niet van de andere kant komt’, maar te midden van mensen wil staan. Hij ‘hoort er helemaal bij’. Wij lopen God soms al te gemakkelijk voorbij. Wij ontdekken God maar zelden in de mensen om ons heen. De vrouw die Hem voor de tuinman hield, zou hem haast voorbijlopen, omdat Hij zo helemaal bij die tuin hoort. Maar wie ontdekt het gelaat van Jezus nog in een ziek kind, in ‘n bejaard en rimpelig gezicht, in het gezicht van de lijdende mensheid?

‘De Heer is waarlijk opgestaan’. Dat zongen enkele jaren geleden twee straatzangers op Sicilië. Een oude dame stond glimlachend te luisteren, een groep meisjes stond rare ge­zichten te trekken, een paar jongens begonnen hard mee te brullen. Een heer in maatpak veegde z’n brillenglazen schoon, want het ‘nieuwe leven’ kom je niet zo vaak op straat tegen. Een buurvrouw trok met één ruk het bovenraam dicht, want ze kreeg hoofdpijn van dat nieuwe leven! Een agent maakte een einde aan die herrie. Hij trok even na­denkend aan z’n snor en greep de twee straatzangers in hun kraag. Hij schudde ze door elkaar en het nieuwe leven was verdwenen. Die agent was een wijze man. Hij dacht: dat nieuwe leven maakt tevéél leven en téveel lawaai. Hij begreep dat dat echt niet kon, want het lied klonk vals. Valszingers waren het! En hij had gelijk, want verderop in de straat haalden andere straatjongens intussen een juwelierswinkel leeg. De twee jongens zongen van het nieuwe leven om de aandacht van vrienden af te trekken.

Zingen over het nieuwe leven. Ook wij kunnen ons Paaslied zingen om de aandacht af te leiden van het oude leven. Ook wij kunnen het Paasfeest vieren als een onderdeel van ons inbraakprogramma. Er wordt op het Paasfeest veel gezongen (hoewel, heel wat min­der in deze coronatijd!). En als er gezongen wordt, wordt ook nog vaak vals gezongen. Nou bedoel ik natuurlijk niet de leden van onze eigen koren. Zij zingen voortreffelijk en zijn vol toewijding. Nee, ik heb het over onze eigen monden die vaak galmen van het nieuwe leven, terwijl ons hart vaak uitgaat naar de etalage van de juwelier.

‘Met Pasen is de dood voorgoed van kant gemaakt’. Dat zingen en belijden wij. ‘Dat kan wel waar zijn’ hoor ik jonge mensen zeggen, maar wij hebben zo weinig met de dood te maken. Het feest van Pasen is blijkbaar vooral voor mensen die al met één been in het graf staan.” Als je jong bent, houd je de dood op een afstand. Maar je kunt zelfs dood zijn zonder het te weten. Je kunt op je 18e al met één been in het graf staan.

Zoals de straatzangers op Sicilië die met één been in het nieuwe leven stonden, maar met het andere been in het graf van voorbij. Dát is de dood: als je onder het zingen over het Licht van Pasen de kat blijft knijpen in het donker. En als je onder het zingen van het Paaslied, de oude mens niet weet af te leggen. De oude mens die probeert beter te worden over de ruggen van anderen, desnoods ten koste van anderen. Valszingers zijn het. Hun gekraai is voor God niet aan te horen. Lawaaipapegaaien, meer niet!

‘Het eeuwig leven’ is niet een nieuw leven áchter de horizon van je bestaan, ergens vér achter je pensioen. Christus is opgestaan, en niet alleen voor mensen die vandaag de dag van hun AOW leven en met pensioen zijn. Elk mensenhart mag zingen van het nieuwe leven. Het mag gezongen worden tegen de verdrukking in. Het mag beginnen in een klein kamertje op driehoog achter. Als we maar niet vals zingen. Christus is de Enige die ons de juiste tóón kan aangeven. Dat vieren we met Pasen. Jezus brengt ons leven op de juiste toonhoogte, laat ons niet zakken, reikt ons de muzieksleutel aan. Bij Hem mogen we met z’n allen de toonladder op, richting nieuwe hemel en nieuwe aarde.

Jezus is op Paasmorgen verrezen, ‘opgestaan’. En met Hém is de dood opgestaan om als portier van de hemel dienst te nemen bij God. Wie de opgestane Heer ontmoeten wil, zal álles uit zijn handen moeten laten vallen. Geloven in de verrijzenis kun je alleen met lege handen, met handen open en niet gebald tot harde vuisten. Zingen wij ons Paaslied maar zonder gebrom en met een zuiver hart. Dan zal ons Paaslied vanmorgen geweldig klin­ken en kunnen wij elkaar eerlijk en oprecht een ‘Zalig Pasen’ toewensen.
Christos Anesti: de Heer is waarlijk opgestaan!

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam