DOET DIT TOT MIJN GEDACHTENIS

donderdag 9 april 2020
Witte Donderdag
Exodus 12:1-8+11-14 ,
1 Korintiërs 11:23-26 en
Johannes 13:1-15
Ambro Bakker s.m.a.

voetwassingVanavond een merkwaardig verhaal van de evangelist Johannes. Bij hem, staat op Witte Donderdag, niet de maaltijd (brood en wijn) centraal, maar de voetwassing. We zien Jezus niet in de rol van een voorname gastheer, die naar de ogen wordt gekeken, maar een man op de knieën, die de voeten van zijn leerlingen wast, het werk van een slaaf. Waar komt die voetwassing vandaan en waarom deze voorname plaats??

Johannes vraagt ons nauwkeurig toe te kijken. Jezus staat op, doet een theedoek voor, giet water in ‘n bekken en wast de voeten van zijn leerlingen. ‘Daarmee heb Ik u een voorbeeld gegeven’, zegt Jezus. De dienende liefde is zijn hoogste levensnorm! Op dit moment is er wel iemand die lijdt, wordt wel ergens een mens gemarteld, alleen omdat hij van vrijheid houdt. Ik weet niet waar hij woont, niet wat voor ‘n taal hij spreekt, en wat voor huidskleur. Maar op dit ogenblik, terwijl wij luisteren naar het verhaal van Witte Donderdag, bestaat die mens. Zijn schreeuwen is als de angstkreet van een opgejaagd dier, terwijl hij zijn lippen stukbijt om de namen van zijn vrienden niet los te laten. Een mens, gekluisterd en alleen, schreeuwt op dit moment, bestaat ergens.

Deze keuze voor de voetwassing in plaats van brood en wijn moet een diepere reden hebben. Daar wil ik wat over mediteren. Voeten dragen het lichaam en stellen het in staat je voort te bewegen. Met onze voeten blijven wij aan de aarde gebonden. In veel zegswijzen, ook in onze taal, staan voeten voor heel de mens. Je zet voet aan wal, of je zet geen voet buiten de deur. Je staat met soms met een een voet in het graf. Je zet iemand de voet dwars of je werpt iemand iets voor de voeten, Je houdt voet bij stuk, ook al wordt je op staande voet ontslagen. We volgen iemand in zijn voetstappen of je maakt een voetval. De voet drukt in al die gezegdes de hele mens uit. Petrus horen we tegen Jezus zeggen: ‘als u mijn voeten wilt wassen, dan maar liever mijn hele lichaam!’ Hij weet niet nog niet dat zijn voeten zijn hele lichaam vertegenwoordigen.

In Egypte liet de koning een voetenbank maken van overwonnen vijanden. Daar zette hij zijn voeten op. In psalm 110 staat: ‘Jahwe sprak tot de Heer: zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden neerleg als een voetbank voor uw voeten. En in Jesaja lees ik dat Jahwe zegt; ‘De hemel is mijn troon en de aarde mijn voetenbank.’ En Mozes krijgt in Exodus 3:5 van Jahwe te horen: ‘kom niet dichterbij, en doe uw sandalen uit, want de plaats waar je nu in staat is heilig. Sprekend van een juiste levenswandel vermaant Paulus: ‘Maak een recht spoor met uw voeten’ (Hebr.12:13). Het ligt voor de hand dat overal ter wereld voetsporen bijzonder worden vereerd. De hindoe vereert de voetafdrukken van de God Visjnoe dansend boven de aarde die hij aan zich onderwierp.

In de Hemelvaartskerk, op de Olijfberg, vereren vrome pelgrims de vermeende voetafdruk die Jezus bij zijn hemelvaart in de rotsgrond heeft achtergelaten. In het kerkje van Quo Vadis, gebouwd op de plaats waar volgens de legende Christus verscheen toen hij moedeloos op punt stond om de rug toe te keren, wordt ook hier een steen vereerd met een voetafdruk van de apostel Petrus. En ongetwijfeld weet u dat de heilige steen in de Kaaba te Mekka de voetafdruk laat zien van de profeet Mohammed.

Na de voetwassing kijkt Jezus de leerlingen aan en vraagt hen: ‘Begrijpen jullie wat Ik nu heb gedaan? (13:12) Met deze vraag wil Jezus zijn leerlingen uitleggen waarom Hij dit heeft gedaan. Ik heb u een voorbeeld gegeven omdat jullie zullen doen wat Ik jullie heb gedaan’. Het klinkt als een gebod. ‘Hebt elkaar lief, zoals ik liefheb’. Het gaat erom dat, met het voorbeeld van Jezus voor ogen, wij elkaar van dienst moeten zijn. De voeten wassen van vele mensen die terecht zijn gekomen aan de rand van de samenleving. En de voetenwassing staat hier symbool ‘voor heel de mens’. Het is niet voor niets dat tijdens de voetenwassing meestal het lied wordt gezongen: Ubi Caritas et Amor, Deus ibi est (waar vriendschap is en liefde, daar is God aanwezig). En een probleem vind ik dat we maar de helft van de boodschap van Jezus begrijpen, want liever dan de voeten willen wij bij anderen liever hun oren wassen.

Brood en wijn en voeten wassen raken elkaar in de woorden van eenheid en vriendschap. 2000 jaar eucharistievieren heeft de mensen niet bij elkaar gebracht. Leefde Jezus van een onbereikbaar ideaal? Of ligt het aan ons zelf: dat we het Brood alleen maar voor ons zelf willen houden, voor een kleine groep ingewijden? Paulus waarschuwde daarvoor al in zijn Eerste Corinthenbrief: ‘Zoals jullie je gedragen aan tafel kan er toch geen sprake zijn van ‘n maaltijd in de Geest van Jezus: de een zit te bunkeren en verslikt zich, anderen kunnen niet eens mee genieten van de kruimels die van jullie tafels vallen’, (I Cor.11:20)

Afgunstig kijken we naar de andere bruiloftsgasten: of ze toevallig niet méér hebben gekregen dan wij. Het niet consequent durven breken en delen is er de oorzaak van dat we nog verdeeld zijn. Zolang ontwikkelingslanden nog rond moeten komen van ‘n bnp dat even groot is als de jaaromzet van ‘n niet eens zo groot bedrijf in het rijke Westen, is eenheid ‘n ideaal. Niet de verschillend opvattingen óver de Eucharistie staat de eenheid zo in de weg, maar het feit dat we maar slechte rentmeesters zijn. Zolang er mensen zijn die hongerlijden, vervolgd en gemarteld worden, is de Eucharistie meer ‘n opdracht om tot Eenheid te komen dan de uitdrukking ervan. Dat bedoelt Paulus ook als hij zegt: ‘Als iemand iets tegen zijn broeder heeft, laat hij dan zijn gaven bij het altaar achterlaten en laat hij zich eerst met zijn broeder verzoenen’.

De leerlingen liggen met Jezus aan tafel. Dat hadden ze meer gedaan. Maar ze voelden dat het dit keer ánders zou aflopen. Ze zien hoe hun Rabbi brood neemt – alledaags brood – het zegent en breekt en zegt: ‘Mijn Lichaam voor U gebroken’. Een gewone maaltijd had het kunnen zijn, maar de leerlingen voelen dat hun Heer zijn Testament aan het schijven is in Brood en Beker. Er hangt die avond een sfeer van verbondenheid en saamhorigheid.

Wij vertellen elkaar het verhaal van de liefde door. Vooral op Witte Donderdag. Hoe Jezus brood nam en zichzelf daarin weggaf. Dat is wat ánders dan verraad. Daarom blijven wij dat verhaal van Witte Donderdag aan elkaar doorvertellen: van vader op dochter, van moeder op zoon. Wij mogen weten, telkens wanneer wij Eucharistie vieren: dat dat een opdracht inhoudt om niet te rusten zolang er waar ook ter wereld nog steeds lichamen worden gebroken en onschuldig bloed wordt vergoten. Er is altijd een uitweg voor mensen, ook voor onszelf, die vaak niet beter zijn dan Judas, want ook wij zitten vaak vol Judasstreken. Dat willen wij vanavond vieren. Elkaar de hand boven het hoofd houden en grond onder de voeten, van wie dan ook, en vooral ook in de moeilijke coronatijd, waarin wij nu leven. Maar we blijven van Gods belofte: we komen we er sámen, onder Gods zegen, zeker uit!

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam