CHRISTELIJKE ARROGANTIE

zondag 26 september 2021
26e zondag door het jaar – B
Numeri 11:25-29, Jakobus 5:1-6 en
Marcus 8:38-43.45.47-48

Het evangelie van Marcus kent zestien hoofd­stukken. Vandaag lezen we een verhaal uit het achtste hoofd­stuk. In de Joodse literatuur staat het belangrijkste vaak niet aan het begin en ook niet aan het einde, maar in het middenstuk. Het niet zo gemakkelijke evangelie van vandaag staat niet voor niets in het middenstuk van het Mar­cusevan­gelie. Vandaag gaat het over de leer­lingen van Jezus, die net als wij, vaak een dubbele agenda hebben. Bijvoorbeeld bij een man als Petrus.

We weten dat ook Petrus verschillende kanten heeft. Vol enthousiasme horen we hem zeggen: ‘Jezus, ik weet wie U bent, U bent de Messias, U bent door God gestuurd’. Maar Petrus heeft ook een andere minder mooie kant. Op Goede Vrijdag spreekt een soldaat hem aan en zegt: ‘Jij bent toch ook een van die mensen die achter Jezus aanloopt’ En terwijl Jezus aan het kruis hangt, zegt Petrus: ‘wie Jezus is, ik ken die man niet’. En het is wonderlijk dat Jezus toch tegen Petrus zal zeggen: ‘Maar toch Petrus, jij bent voor Mij de steenrots waarop ik mijn kerk zal bouwen, en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn’.

De evangelist Marcus verwijst ons vandaag ook naar een andere leerling van Jezus. Johannes is zijn naam. Volgens Marcus is het niet alleen Petrus, maar ook deze Johannes, die blijkbaar een dubbele agenda heeft. Of Johannes, over wie de evangelist Marcus vertelt, de Schriften kent, in ieder geval heeft hij er bitter weinig van geleerd. Johannes is zonder meer arrogant. Hij vindt dat iemand die niet tot hun groep behoort en in Jezus’ naam toch duivels uitdrijft, afgestraft moet worden. Johannes gaat naar Jezus toe en zegt: ‘Meester, we hebben iemand die ons niet volgt en toch in uw naam duivels uitdrijft en we hebben geprobeerd hem dat te beletten omdat hij geen volgeling van ons is. Jezus corrigeert hem direct en zegt: Johannes, houdt hem maar niet tegen, want iemand die een wonder doet in mijn Naam zal nooit ongunstig over Mij spreken. Want Wie niet tegen ons is, is voor ons. Als iemand u een beker water te drinken geeft, voorwaar ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.

Johannes probeert de invloed van Jezus te beperken tot het groepje dat hij samen met de anderen rondom hem vormt. Hij begint het helende dienstwerk van Jezus te begrenzen, kleiner te maken en naar zich toe te trekken. Hij ziet er een mogelijkheid in om hoger op de sociale ladder te klimmen, zijn status is verbeteren, invloed over anderen te verkrijgen, macht uit te oefenen, geëerd te worden, en een goed inkomen veilig te stellen. Hij meent iets te hebben dat anderen niet hebben. Hij is gewoon uit op macht en aanzien.
Johannes probeert het opnieuw en zegt: ‘als je oog je ergert, ruk het uit, als je hand je ergert, hak hem af, als je been aanleiding tot ergernis is, laat hem dan amputeren! Het is beter kreupel te zijn dan met twee voeten in de hel te staan. Als aanleiding geeft tot zonde, dan is het beter als ze hem met een molensteen om de hals in zee werpt. Om deze uitspraken te begrijpen is het goed te weten dat de evangelist Marcus zijn evangelie heeft geschreven in de catacomben van Rome tijdens de hevige christenvervolgingen. Johannes weet dat het aankomt op het geven van getuigenis. Een getuigenis die zelfs concreet je ledematen kunnen kosten!

Christenen werden onthoofd, verbrand of aan kruisen geslagen. Wat dat betreft is er niets nieuws onder de zon. Dat gebeurt tot de dag van vandaag nog in vele bedreigde gebieden, dat we elkaar naar het leven staan. Maar Jezus reageert niet direct op Johannes. Zonder persoonlijk te worden, geeft hij enkele redenen aan waarom we de an­der zijn gang moeten laten gaan. De eerste reden is heel praktisch, iemand die erin slaagt om in de naam van Jezus te genezen, staat natuurlijk aan zijn kant. Vervolgens maakt Hij daar een algemene regel van: wie niet tegen ons is, is toch voor ons. Jezus draait de redenering van Johannes helemaal om. Begrijpt Johannes dan niet, dat hij zelf vaak juist degene zal zijn die geholpen en geheeld moet worden. En wie zal dat doen als hij de Enige is die deze macht heeft? Met andere woorden: het genezen en bevrijden van de mensheid en wereld is niet iets dat alleen aan hen gegeven is.

Het is iets dat over de hele mensheid verdeeld ligt. Het is de vervulling van wat Mozes in deze lezing uit het boekje Numeri hoopte: Ik zou willen dat heel het volk van de Heer profeteerde en dat de Heer zijn geest op hen legde. Het gaat er niet precies om in wiens naam de heling of bevrijding verwerkt wordt, het gaat niet om de naam van wie het doet, maar het gaat om wat er gebeurt. Jezus wens de cirkel rondom zich niet te sluiten, Hij corrigeert zijn volgelingen een alleenverkooprecht met betrekking tot het Koninkrijk Gods. Als het gaat om wie bij Hem hoort, is hij inclusief. Hij trekt geen duidelijke grenzen, zoals men maar aan genezing en bevrijding werkt. Zijn volgelingen moeten samenwerken met al die an­deren die in deze wereld met ‘verlossing’ bezig zijn.

Iedere Christelijke Johanneïsche arrogantie is uit den boze. Dat niet alleen omdat het goede van buiten de kring rond Jezus komt, maar ook omdat het verraad van dat ‘goede’ van binnen die kring kan komen. Zoals Jezus dat uitlegt in de rest van de tekst van het Marcusevangelie. In het negende hoofdstuk van het Marcus-evangelie gaat het over een radicaal andere weg die Jezus voorhoudt aan zijn leerlingen. Het is een weg die dwars staat op de verwachtingen van zijn leerlingen. Zijn leerlingen denken aan een aards koninkrijk met goede ministerposten – een hele eer. Maar Jezus zegt: ‘Wie Mij wil volgen moet zijn kruis op zijn schouders nemen. En dat werd en wordt heel concreet gevraagd in de grote christenvervolgingen aan het begin van onze jaartelling, maar ook in onze tijd vol politieke spanningen. Dat bedoel de evangelist Marcus op met zijn voorbeelden.

Voor ons is die keuze er nog steeds. Het gaat om de consequenties die we als gelovige mensen moeten trekken uit het Evangelie. Ons kost het, normaal gezien, geen handen, voeten of ogen. Maar diegene die consequent voor het evangelie kiest, kiest nooit voor de gemakkelijkste weg! Het is de weg van het kruis. Als elk mens zich op deze wereld verantwoordelijk zou weten voor een ander, zou deze wereld er anders uit zien, meer lijken op een wereld zoals God die bedoeld moet hebben ‘in den beginne’. Dan leven we onder een vrede die in ons leven verbindend werkt.

De Geest van God waait waar hij wil. Dat is een bekende uitdrukking voor wie een beetje thuis is in Bijbelse uitdrukkingen. En wie dat niet is, voelt hopelijk een beetje aan wat de bedoeling is: die Geest, die Goede Geest – nogal eens uitgebeeld als een vogel die in alle vrijheid zijn vleugels uitslaat, die Geest zit niét gevangen, die kent géén hokjes. Die is er voor iedereen zonder uitzonderingen. Want de Geest van God waait waarheen hij wil.
Ook al zijn er ook in onze tijd mensen die alleen maar kunnen leven in macht en majesteit. Mensen die macht willen hebben en daar gebruik van maken. En dat zijn die mensen die van het evangelie van vandaag nauwelijks iets hebben begrepen. Ook verantwoordelijkheden eisen we niet op om er zelf beter van te worden. Het gaat erom dat wij onze verantwoordelijkheid delen met elkaar, om zo te bouwen aan het nieuwe Rijk van God. En laten we eerlijk zijn: niemand van ons hoeft een molensteen om zijn hals te dragen.

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam