GEDAANTEVERANDERING

zondag 28 februari 2021 
2e zondag van de Veertigdagentijd – B
Genesis 22:1-2+9a+10-13+15-18, 
Romeinen 31b-34 en 
Marcus 9:2-10
Ambro Bakker s.m.a.

Jezus op de berg Tabor: gedaanteverandering

Vandaag horen wij hoe Jezus van gedaante veran­derd. Wat betekent dat ‘van gedaante veranderen?’ Nou is het woord gedaanteverandering ons eigenlijk heel bekend. Als bijvoorbeeld twee men­sen trouwen, dan gebeuren er dingen die anders nooit gebeuren. De bruid draagt een wolk van een jurk, waarin soms amper te lopen is. Duurder dan alle andere jurken die ze eventueel heeft, maar wel voor slechts één dag. De bruidegom draagt iets dat nog weleens bij een ander feest dienst kan doen, maar verder niet.

Lees “GEDAANTEVERANDERING” verder

EEN NIEUWE LEER MET GEZAG

zondag 31 januari 2021
4e zondag door het jaar – B
Deuteronomium 18:15-20 ,
1 Korintiërs 7:32-35 en
Marcus 1:21-28
Ambro Bakker s.m.a.

Jezus in de synagoge van Kafarnaüm

Vandaag en ook volgende week zondag horen wij dat Jezus alle aandacht heeft voor zieke mensen. Vandaag gaat het over iemand die ver over zijn toeren is geraakt, en volgende week zondag zullen we horen dat Jezus de schoonmoeder van de paus geneest. Nee, ik bedoel niet de schoonmoeder van Paus Franciscus, want die heeft geen schoonmoeder als ik tenminste goed geïnformeerd ben! Nee, het was in die tijd, waarin ook de eerste pausen nog getrouwd en eerzame huisvaders waren!

Lees “EEN NIEUWE LEER MET GEZAG” verder

MAG HET IETSJES MEER ZIJN?

zondag 24 januari 2021
3e zondag door het jaar – B
Jonas 3:1-5+10, 1 Korintiërs 7:29-31 en
Marcus 1:14-20
Ambro Bakker s.m.a.

De afgelopen week vertelde een van mijn nichtjes dat ze in de keuken het eten aan het klaarmaken was, toen ze het verdacht stil vond in de huiskamer. Ze ging maar eens kijken. En daar zat haar zoon van zes, die zat te vissen in de goudvissenkom. Hij had van een stokje en een touwtje een hengel gemaakt. Aan het einde van het touw had hij een half sneetje brood gebonden. Die poging was blijkbaar al verschillende keren mislukt, want de oppervlakte van het water lag bezaaid met brood. En hij snapte niet waarom de goudvissen niet wilden toehappen En gelukkig maar dat mijn nichtje er op tijd bij was. Ze viste het brood uit de vissenkom, zodat de beestjes weer wat verse zuurstof konden krijgen!

Het evangelie gaat vandaag ook over vissers. Zij lieten op uitnodiging van Jezus hun hengel in de steek en volgen hem. Vissers van mensen zullen ze zijn. Dat klinkt een beetje onsympathiek: vissers van mensen! Want wie van ons laat zich graag vangen? Wie van ons wil graag terechtkomen in andermans strikken? En hoeveel strikken staan er dagelijks niet opgesteld. Je moet op je hoede zijn, want we willen elkaar graag vangen, elkaar gevangennemen in plaats van opvangen. Vangen betekent: de baas spelen, de macht in handen hebben, de ander onder de knie hebben.

Lees “MAG HET IETSJES MEER ZIJN?” verder

OPENBARING DES HEREN – DRIEKONINGEN

zondag 3 januari 2021
Driekoningen
Jesaia 60:1-6 , Efeziërs 3:2-3a+5-6 en
Matteüs 2:1-12
Ambro Bakker s.m.a.

In het evangelie van vandaag staan twee titels centraal: de titel van ‘Koning der Joden’ en ‘Messias’. Twee titels die door het hele leven van Jezus heen spelen En uiteindelijk zullen deze titels ook gebruikt worden als motief om Hem te veroordelen tot de dood aan het kruis. Op de laatste bladzijde van Jezus’ levensverhaal zal de titel ‘Koning der Joden’ boven aan zijn kruis bevestigd worden.

Het Driekoningenverhaal is dus beslist niet zo idyllisch en sprookjesachtig als het er op het eerste gezicht uitziet. Drie wijzen uit het Oosten, die de pasgeboren Koning der Joden komen bezoeken. Natuurlijk raken ze daardoor in zwaar weer. Koning Herodes zegt met zijn aardigste stem en gezicht: ‘Kom mij vertellen waar jullie het pasgeboren zullen vinden, dan kan ik dat kind ook mijn hulde brengen. Wat een huichelachtig en onterend gebeuren! Als de drie wijzen onraad vermoeden, gaan ze na het bezoek aan het Kind, via een andere weg terug. Ze zijn koning Herodes te slim af. Maar diezelfde Herodes barst dan uit in een hevige woede en geeft opdracht om alle 200 pasgeboren jongetjes om het leven te brengen.

Lees “OPENBARING DES HEREN – DRIEKONINGEN” verder

HET ZWARTE SCHAAP

donderdag 24 december 2020
Kerstnacht
Jesaja 9:1-3+5-6 , Titus 2:11-14 en
Lucas 2:1-14
Ambro Bakker s.m.a.

zwarte schapen

Enkele maanden geleden stond er op een zaterdagmiddag een grote doos voor onze kerk. De afzender heeft zich tot nu toe nog niet bekend gemaakt. Toen ik de doos openmaakte, kwam er een hele grote mooie kerststal tevoorschijn. Ik ben de onbekende gever daar nog steeds dankbaar voor. In deze kersttijd zijn de kerststallen en de kerstversieringen niet meer weg te denken, zelfs niet in deze coronatijd.

Hoe gaan wij om met het kerstfeest? Soms denk ik: zien wij tussen alle glitter en goud het échte kindje Jezus nog wel liggen? Of lopen ook wij met een stralend en zelfverzekerd gezicht achter onze Kerstkinderwagen, en vullen wij de lege plek van het Kindje met kerstgeschenken, eten en drinken, vrome wensen en ontroerende kerstliederen?

Lees “HET ZWARTE SCHAAP” verder

DE EINDAFREKENING

zondag 15 november 2020
33e zondag door het jaar – A
Spreuken 31:10-13.19-26.30-31 ,
Tessalonicenzen 5:1-6 en
Matteüs 25:14-30
Ambro Bakker s.m.a.

parabel van de talentenIn de evangelietekst van vandaag wordt de waakzaamheid, waar Jezus het bij Matteüs vorige week over had (in verband met het einde dat onvermijdelijk aan ons leven en aan deze wereld komt) verder gekwalificeerd. Wij moeten niet alleen waakzaam blijven en onze lamp brandend houden. Wij moeten ook actief bezig zijn met het realiseren in wat Jezus het Koninkrijk van God hier op aarde noemt.

In het Evangelie van vandaag horen we dat God aan ons veel vertrouwen geeft, als hij aan ons de toekomst en het beheer van zijn aarde toevertrouwt. Wij mogen zijn rentmeesters zijn. De ondertoon is dat God ons veel mogelijkheden heeft gegeven. Deze parabel gaat niet over het spreekwoord ‘als je voor een dubbeltje geboren bent, zul je nooit een kwartje worden’. God geeft ons allemaal voldoende talenten om deze aarde bewoonbaar te maken en bewoonbaar te houden. Die talenten hebben we niet van onszelf, we hebben ze van Godswege gekregen. Daarmee heeft God het lot van de wereld, en het lot van onze naasten, ook in onze handen gelegd.

God investeert in mensen. Hij heeft ons ideeën gegeven om zélf ook initiatieven te ontwikkelen. Daarmee laat Hij zien dat Hij vertrouwen in ons heeft. Maar Hij vraagt ons ons wel onze talenten te gebruiken. In het Evangelie is er één man doodsbang. Hij durft zijn verantwoordelijkheid niet aan en begraaft zijn talent in de grond. Daarmee begaat hij de grootste fout van zijn leven! Want ‘nietsdoen’ is de grootse fout die je in je leven kunt maken!

Dit evangelie van de talenten wordt vaak gelezen tijdens een uitvaartmis. Dan vertellen familieleden hoe de overledene met zijn talenten heeft gewoekerd of geworsteld. Bij een begrafenis van een oude pastoor zei de voorzitter van het parochiebestuur: ‘De pastoor was niet zo getalenteerd, maar hij is wel tot zijn laatste snik dicht bij God en dicht bij zijn parochianen gebleven.’ Is trouw dan geen talent? Of die vrouw van tachtig: dag en nacht heeft ze klaar gestaan voor mensen die haar nodig hadden en die haar door God waren toevertrouwd. Ze vond dat heel gewoon. Maar is trouw dan geen talent? Nee, wat dat betreft, is elk mens is getalenteerd en heeft zijn of haar talenten.

Groot zijn in het kleine. Ik denk aan dat Engelse parlementslid dat hooghartig tegen een afgevaardigde van de vakbond zei: ‘Ik geloof dat uw vader nog de schoenen heeft gepoetst van mijn vader’. De man antwoordde: ‘Het is niet belangrijk of hij uw vaders schoenen heeft gepoetst, maar of hij die goed heeft gepoetst!’. Het gaat er niet om of je veel talenten hebt gekregen, maar of je jouw talenten weet te gebruiken!

In onze samenleving is veel vraag naar talenten, zozeer zelfs dat we spreken van ‘talentenjacht’. Bij film en televisie is het heel gebruikelijk om als zoektocht naar nieuwe en aansprekende idolen langdurige series te produceren. Naast de deskundige jury mag het publiek over al of niet doorgaan van kandidaten. Zo zijn de laatste jaren heel wast nieuwe talenten ontdekt. Maar de concurrentie is hard, er is veel duw- en trekwerk achter de schermen. Veel applaus bij succes voor een enkeling, maar niet minder grootverdriet bij velen die weer teleurgesteld naar huis gaan.

Talenten in de betekenis van geschiktheid, bekwaamheid, vaardigheid is ons allemaal meegegeven. ‘Het zit in de genen’ zeggen we tegenwoordig, maar, denk ik dan, mag het ook een cadeau van de Schepper zijn? Het gaat er om dat in elk mens talenten aanwezig zijn. Het is bijvoorbeeld zo belangrijk dat je als ouders je talenten van je kinderen ontdekt, benoemt en bevordert. En daarbij gaat het niet om de hoge verwachtingen die ouders soms naar hun kinderen hebben. Een mooi citaat zegt: ‘in elk mens liggen veel vakjes open, die wachten op ontdekking en op groei’. Ga daar maar aanstaan.

En bij het woord talenten gaat het niet om onze verstandelijke vermogens, maar om de mate waarin mensen naar God en naar elkaar zijn gegroeid. Van mensen die hun talenten hebben kunnen vermeerderen, daarin gegroeid zijn, wordt niet verwacht dat zij op hun lauweren gaan rusten. Integendeel, ze moeten er zelfs extra tegen aan. En ook de mens die er maar half in slaagt, wordt gevraagd in de relatie met God en met elkaar te investeren. Ook zijn er veel mensen die geen enkele moeite doen. Zij begraven hun talent.

Veel menselijke talenten zijn gedevalueerd, in waarde gedaald, ineengeschrompeld. Door gebrek aan vertrouwen. Daarom: laten we onze talenten gebruiken en geven wij elkaar voldoende ruimte om onzen talenten te ontwikkelen. Zo niet, dan mag je weten dat er straks bij de eindafrekening heel wat op je huid zal staan en dat God je dan op je huid zal zitten. Maar gelukkig krijgt de mens voldoende talenten van God mee om dít te voorkomen!

De eerste lezing gaat ook over talenten. Het is een gedeelte uit de wijsheidsliteratuur, waar het boek der Spreuken deel van uitmaakt. ‘Een sterke vrouw, wie zal haar vinden? Haar waarde gaat uit boven die van de kostbare koralen’ (Spreuken 31:10-11). Is het toeval dat ook deze lezing vaak gebruikt wordt bij een uitvaart? Het gaat in dit Bijbelgedeelte niet om geloven met mooie woorden, maar geloven met concrete daden. Niet mooipraten, maar mooi doen! Als je de hele tekst leest, kom je een vrouw tegen die bijzonder zelfstandig en daadkrachtig is.

En als de lezing spreekt over ‘een sterke vrouw’, dan gaat het niet om lichaamskracht, maar om een krachtige, karaktervaste vrouw. En de uitdrukking ‘wie kan haar vinden?’, wijst op haar kostbaarheid. Geen mens die aan haar kan tippen. Het gaat om een vrouw die haar talenten niet heeft begraven, maar zich talentvol heeft ingezet voor degenen die haar nodig hadden. Je zou maar zo’n talent hebben…… Haar ‘eindafrekening’ had in ieder geval een positief saldo! Zij is dicht bij God en bij de mensen om haar heen!

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam
Locatie Titus Brandsma

OVER DE GRENZEN VAN DE DOOD HEEN

zondag 1 november 2020
Allerzielen
Ik zal met je meegaan (Kris Gelaude) en
Johannes 11:21-27

Allerzielen 2 novemberNovember is vanouds de maand waarin wij onze doden gedenken. Het lijkt wel alsof de natuur daar zelf aan meewerkt. De zomer lijkt af te sterven en is voorbij. Het wordt mistig langs de wegen. Het miezert. Bomen en struiken worden kaal. De beesten gaan op stal. Wij kleden ons wat warmer. De kachel gaat aan, de thermostaat wat hoger. We gaan met zijn allen weer de nachtschuit in. Het is echt Allerzielenweer! Er hangt weer een rouwstemming over de natuur en sluipt de gemoedsstemming van mensen binnen.

Allerzielen, een dag waarop de overledenen al onze aandacht krijgen. Wij noemen met eerbied de namen van hen die naar de aarde terug zijn gevallen als een vergeeld blad in de herfst of weggevlogen op de vleugels van de wind. Wij zijn vanmiddag naar onze begraafplaats Buitenveldert gekomen vanuit het onverwoestbare geloof dat niet de dood het laatste woord heeft, maar dat alle leven overleven bij God is.

Wat gebeurt er als we doodgaan? Er zijn mensen die zeggen dat we bij de hemelpoort komen. Een omgeving van zachte wolken en blote engeltjes die op vreemdsoortige trompetten spelen. Ziet de hemel er zo wel uit? Dat kan mij eigenlijk weinig schelen. Het is immers een schitterend beeld. Stel je voor: na je dood ga je terug naar God, en ga je niet terug naar af! Vanaf dat moment zit er weer muziek in je leven. Aan niets kun je je meer verwonden, alleen maar zachte, vederlichte wolken. Alle rimpels en plooien trekken weg uit verweerde gezichten. Er is geen ruzie meer, geen geknars van tanden. Je hoeft niet meer te vechten voor een redelijk plaatsje in de maatschappij. Burenruzies en familieruzies kun je eindelijk achter je laten. Je mag je handen voorgoed neerleggen in de schoot van God.

In de kranten lees ik soms: ‘God heeft tot zich geroepen ons geliefde man en vader.’ Het klinkt bijna als een verontschuldiging. Zo van: denk nou maar niet dat wíj hem of haar de dood hebben ingejaagd! Het is de wil van God? Gods wil? Maar God heeft toch geen vreugde in het in elkaar storten van al wat leeft? Hij wil een God van levenden genoemd worden, geen God van doden. En is het niet zo, dat vaak in déze wereld, wij élkaar ook zelf de dood aanzeggen: door de oneerlijke verdeling van voedsel en medicijnen? Treden we wel genoeg op tegen onrecht en onrechtvaardigheden? Ik kan zelf niet zomaar geloven in een God die zomaar mensen wegplukt. Ik geloof wél in een God die ons nabij wil zijn, en ons wil troosten. En het is toch onze God die zegt: ‘Je kunt iets doen aan al dat lijden in de wereld.’ Je kunt mijn hemel op aarde al een beetje waarmaken, ook al denk je dat dat niet meer is dan vaak een druppel op een gloeiende plaat.

Van vele mensen hebben we het afgelopen jaar afscheid genomen. Een afscheid die velen van ons een onbeschrijfelijk verdriet heeft gebracht. En onze troost is mager, want wie oog in oog met de dood heeft gestaan, wie even heeft gekeken in die bodemloze put – een man, een vrouw, een kind verloren – die praat niet meer lichtzinnig over opstaan uit de dood. Wie de pijn van het gemis aan den lijve heeft ervaren, hoedt zich wel voor goedkope praatjes. Zo iemand zegt met Thomas: ‘eerst zien en dan geloven!’ Zo iemand neemt de dood niet van harte, maar wel serieus.

En vele jaren later – misschien wel in je stoutste dromen – zul je zeggen: dood, waar is je prikkel, ergens moet er toch leven zijn, ergens, ergens… God weet waar en wanneer. Wie de dood van nabij heeft meegemaakt, ziet niet meer dan dat de dood het einde betekent van de mens zoals wij hem hebben gekend en bemind. De dood snijdt elke draad naar de toekomst af. De dood van je geliefde betekent het einde van al je dromen en verwachtingen. Vaak is dat het begin van een lange nachtmerrie. Want, wat blijft er van je over? Een hoopje stof, een herinnering die wegdrijft op de wind?

Maar de weg zou te lang zijn, te zwaar, te onzeker, als we niet een woord zouden horen, dat ons weer aan kan zetten om onze ruggen te strekken en onze voeten opnieuw te richten naar het leven. Het groeit waar mensen gelouterd zijn de pijn voorbij, de tranen gedroogd, de moed hervonden. Het groeit waar mensen elkaar verhalen vertellen, ter herinnering, ter bemoediging.

Jezus vertelt ons vandaag ok een verhaal over een stervende graankorrel. Een graan-korrel, weggestopt diep in de zwarte aarde. Het zaad dat in de bodem verdwijnt, prijsgegeven aan het graf van voorbij. De graankorrel sterft langzaam: eerst aan de buitenkant, dan aan de binnenkant. De huid begeeft het, de korrel scheurt open. Zodra ‘t nieuwe leven ontkiemt, een nieuwe korenaar zichtbaar wordt, dan betekent dat dat de graankorrel niet dood is, maar leeft! Er begint een kleine nieuwe vrucht te groeien. Doodgaan, om het Eeuwig Leven mogelijk te maken. Het is een vreemd, haast angstaanjagend geheim!

Ook Jezus werd in zijn leven toevertrouwd aan de donkere aarde. Ook bij Hem hing een moeder boven het dode lichaam van haar eniggeboren kind dat zij waanzinnig liefhad. Daarmee is Jezus de weg gegaan van alle mensen, tot het bittere eind toe. Hij is met zijn troost niet aan de kant blijven staan, maar heeft zichzelf mét ons begeven in de arena van lijden en dood. Van Hem mogen we leren dat geen leven zich verliest in de dood. Dat hij het moet ondergaan om tot het nieuwe leven te komen. Graankorrel die in de donkere aarde valt. Wij houden ons soms te krampachtig vast aan het leven. Wij proberen het leven van alle kanten af te schermen, maar angst kan ons verlammen, en verliezen we daarmee ook onze boeiende en rijke kanten. Je blijft dan arm en verwarmd achter.

De leerlingen van Jezus hebben op Paasmorgen ervaren dat je zelfs in de dood rijk kunt zijn, omdat je geborgen bent in de schoot van de Vader. Als iemand dood gaat, wordt de aarde zwaarder, een wonde dieper, een grafkuil zwarter, een verzengend vuur, ontzaglijke hitte. Duizenden jaren geleden was er al iemand die zijn bijzondere ervaringen heeft opgetekend in het Bijbelboek Prediker:

Zwart als git wordt het licht,
aardedonker de zon.
Loodzwaar hangen de wolken
na de regen klaart het niet op.
De huisvader vlucht uit zijn huis
en onbeheerd blijft het achter.

Bomen van mannen
beven als riet.
de harde hand van de molenaarsvrouw
is moe van het malen.
Toonloos wordt er een liedje gezongen,
ijlloos klinkt de stem van een vogel.

Iedere hoogte is mij te hoog,
trappen te steil, woorden teveel.
Ik durf de schrikwekkende
straten niet meer begaan.
Ach, olijven, je smaakt me niet meer,
amandelbomen, bloei niet meer voor mij.

Ach, liefste, ik streel je nog wel,
maar ik voel je niet meer,
zegt de ene mens tot de ander.
Weg naar je eeuwige huis,
roepen de doodsgravers
door de straten.

Voort naar je blijvende woning
roepen de levenden de doden toe.
Het zilveren snoer wordt doorgeknipt,
de gouden lamp valt stuk op de vloer.
De kruik barst open
aan de boorden van de bron,
het scheprad schept geen water meer.

Stof wordt stof, leem wordt leem,
alles keert terug naar zijn oorsprong.
De adem stroomt over de ademzee
tot Hem die leeft.

(H. Oosterhuis, Gebeden en Psalmen, blz.154)

Sinds vorig jaar hebben wij jonge en oudere mensen moeten verliezen. Velen zijn er verschillenden door het coronavirus onderuitgehaald. Ook hun namen voegen wij nu toe aan de familieleden, vrienden en vriendinnen, die wij in de dood hebben verloren. Zij zijn die lange donkere tunnel ingegaan, waar we allemaal doorheen moeten. Ook mijn naam, alleen God weet wanneer, leest u op een keer in de krant. Dan zullen mensen beweren dat ik dood ben. Mijn advies: geloof toch niet altijd wat er in de kranten staat! In de Heilige Schrift las ik vandaag wat anders..!

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam

BIJ DEZE IS IEDEREEN UITGENODIGD

zondag 11 oktober 2020
28e zondag door het jaar – A
Jesaia 25:6-10a,
Filippenzen 4:12-14+19-20 en
Matteüs 22:1-14
Ambro Bakker s.m.a.

Genodigd op het feest

Zowel in de lezing van de profeet Jesaja als in het evangelie van Jezus staat vandaag het samen-eten centraal. Maaltijd houden, dat klinkt heel plechtig, maar er wordt gewoon mee bedoeld: lekker gezellig met elkaar eten en drinken. Voor mijn part een schitterend diner zoals je wel op bruiloften hebt.

Het evangelie gaat vandaag over zo’n bruiloft. Als Jezus zoekt naar een manier om zijn Messiaanse droom van het Rijk der Hemelen te verwezenlijken, dan grijpt hij naar dit feestelijk aspect. Ons leven zal uitlopen op een wereldfeest, waarop iedereen wordt uitgenodigd, niemand uitgezonderd. Het samen-eten is zelfs de basis geworden van het feest op Witte Donderdag, waarop de eucharistie is ingesteld. Samen-eten tot gedachtenis aan Hem.

Eigenlijk een schitterend beeld wat Jezus gekozen heeft. Ook Hij hield blijkbaar van bruiloften. Met zijn moeder ging Hij in het plaatsje Kana naar een bruiloft. En de meesten van u weten hoe het daar afloopt. De wijn is op en Maria vraagt haar Zoon of die niet voor wat extra wijn kan zorgen. En Jezus zorgt er dan voor dat het Bruiloftsfeest niet verwatert, maar verandert in wijn, de feestelijke drank van het bruiloftsfeest.

In de Bijbel heeft een bruiloft trouwens een opmerkelijke plaats. Er zijn daar tal van voorbeelden van te vinden. Bijvoorbeeld over de liefde tussen koning Salomo en zijn bruid, die inspireerde tot het maken van het prachtige Hooglied, dat een weergaloos bruiloftslied is geworden. Door de eeuwen heen is dat het symbool geworden voor de liefde tussen God en zijn volk, tussen. Christus en zijn kerk.

Wat een ontroerend beeld, en wat een verheven taal. Voor Jezus moet eigenlijk alles en iedereen uitlopen op een geweldig bruiloftsmaal. De gelijkenis van de vijf wijze en de vijf dwaze maagden wachtende op hun bruidegom is zo’n symbool voor de parousi, de wederkomst van de Messias. Vijf meisjes gingen met Jezus de bruiloftszaal binnen, de vijf anderen, die hun lamp niet brandend wisten te houden, moesten buiten blijven. (Matteüs 25:10). Een oud verhaal vertelt dat Jezus later ook naar déze vijf meisjes knipoogde. Hij wist toch wie het waren. En Hij liet ze toch maar gauw binnen via de achterdeur, want op zijn bruiloftsfeest is iedereen toch welkom.

Prachtig zijn ook de beelden over het bruiloftsmaal in de Apokalyps (19:7-9), waarin staat: ‘Laat iedereen blij zijn en juichen en Hem de eer geven; de tijd is gekomen voor de bruiloft van het Lam, en zijn Bruid heeft haar prachtige bruiloftskleed al aangetrokken. En de engel sprak tot mij: Schrijf: zalig zij die genodigd zijn tot het bruiloftsmaal van het Lam. De Vlaamse kunstschilders gebroeders van Eijck hebben daar in de 15e eeuw een indrukwekkende schilderij van gemaakt. U kunt dat zien in de St. Baafskathedraal in het Belgische Gent.Aanbidding van het Lam

De aanbidding van het Lam Gods
De kerkvaders hebben al in de oude christenheid dat verband gelegd tussen de bruidegom en bruid uit het Hooglied en Christus en zijn kerk als bruid. In zijn beroemde preken over het Hooglied ziet Sint-Bernard van Clervaux in de beelden van het Hooglied de vreugde en de ziel van het mystieke huwelijk. Ruusbroeck beschreef het als het ‘sieraad van de Geestelijke Bruiloft’. De beeldhouwer Bernini beeldde in de bloeitijd van de renaissance de heilige Teresa van Avila in marmer uit, in de staat van een geweldige vervoering. Deze Sponsa Christi, bruid van Christus, is in de kerk degene die door de gelofte van de maagdelijkheid zich aan Christus geeft als een bruid. In de 16e eeuw schreef een dichteres:

Ik weet een jongeling zeer schoon
Die ik met alle herte beminne.
Slaap ik of waak ik. wat ik ook doe
Hij staat in mijn zinne…
Wildi weten zijne naam,
Ik zal hem gaarne noemen.
Heer Jezus is mijn lief bekwaam.
’t Is de maker van de bloemen’.

Tegen deze achtergrond speelt het evangelie van vandaag zich af. Als het aan Jezus ligt vieren we met elkaar een geweldig bruiloftsfeest. Een feest waarop er geen plaats is voor muurbloempjes! Een feest, waarop ook ome Piet is uitgenodigd, die enkele jaren in de lik heeft gezeten. Ook Tante Alie loopt er rond, met wie we al jaren ruzie hebben. Ook Ome Gerrit, die er destijds met zijn buurvrouw vandoor is gegaan. Iedereen wordt uitgenodigd deel te nemen aan Gods polonaise! Jammer dat velen van ons dat wereldfeest niet mee willen vieren en letterlijk zeggen: God, aan mijn lijf geen polonaise!

Intussen stuurt God zijn dienaren de straat op. Zij mogen rondbazuinen: iedereen is welkom: armen, rijken, gelen, blanken, zwarten, homo- of heteroseksuelen, groten en kleinen! En je hoort mensen roepen: blijf in deze wereld toch op je beide benen staan! Geloof toch niet in dromen die tóch niet uitkomen! Jezus had zo’n droom, maar is Hij niet gestruikeld over Golgotha. Toch blijft Jezus beweren dat het kan. Hij vertelt een parabel, een verhaal over een koning die een bruiloft houdt. ‘Gaat naar de hoeken van de straten!’ En daar komen de bruiloftsgasten: kinderen voorop, daarachter de gediscrimineerden, de oorlogsslachtoffers, de hongerlijders en zo veel kleingekregen, doodgezwegen, kleingeknepen mensen.

Halverwege het feest valt de koning uit. Er zit iemand die wél de moeite heeft genomen om naar de bruiloft te gaan, maar hij blijft aan de kant zitten. Hij gelooft niet dat het bruidspaar, God en de kleinen, ook in de toekomst bij zullen elkaar blijven. Hij zit te eten met lange tanden en heeft overal kritiek op. Door zijn aanwezigheid, zijn zure gezicht, dreigt het feest te mislukken. Hij wordt daarom buiten de deur gezet. En God laat weten: je feest met ons mee, of je blijft maar buiten zitten. Je gelooft in een betere wereld, en je steekt daar je handen voor uit, of je gaat thuis maar achter je televisie zitten kniezen. En God wil ook niets te maken hebben met deeltijders. Op Zíjn feest is het alles of niets. Je doet mee óf je blijft maar weg!

Er ligt nog steeds een geweldige kloof tussen de wereld, zoals die zou moeten zijn, en zoals die is. Wie die kloof gegraven heeft weet ik niet. Misschien zijn we bang geworden voor God. Zo bang dat we zeggen: als God boven in Zijn hemel blijft, en daar zijn goddelijke gang gaat, dan kunnen wij hier op aarde onze eigen goddelijke gang gaan! Aan onze menselijke lijf geen goddelijke polonaise. Laat God maar op Zíjn weghelft blijven en wij op de onze, dan kunnen er geen botsingen ontstaan!

Maar het Bruiloftsfeest zegt ons dat we niet meer bang hoeven te zijn voor God en we hoeven ook niet bang te zijn voor elkaar. Want Gods feest zál er komen. En val dan niet uit de toon! Ga niet zitten vitten, stoken, roddelen, afkammen, zaniken of gapen van verveling. Aandacht voor Gods bruiloftsfeest is aandacht hebben voor de Koning en voor de andere bruiloftgangers: zelfs de meisjes van plezier.

Dat was de kracht van waaruit Jezus leefde: geloven in mensen, ook al verkopen ze hun lichamen voor wat geld of verdovende middelen. Geloven in mensen, ook al zijn ze verschraald door het onrecht. Geloven in mensen, ook al zijn ze verschraald door het verdriet. Van mensen blijven houden, zelfs al zijn ze vastgeroest in haat, vooroordelen en vernielzucht. Het was de rotsvaste overtuiging van Jezus dat mensen niet zijn geboren om oorlogje te spelen, elkaar te haten of elkaar de vernieling in te helpen. Hij was ervan overtuigd dat elk mens geroepen is om ‘Beeld van God, beeld van Zijn Vader’ – te zijn.

Om te leven hóef je niet over lijken te gaan! Op Gods wereldfeest wordt niet geroddeld, er wordt alleen maar feest gevierd. En wij zijn van harte uitgenodigd. Allemaal horen we erbij, wie en wat we ook zijn. Dat is de droom van Jezus: en ook ons eigen leven mag uitlopen op dat geweldige bruiloftsfeest dat ons te wachten staat!

Ambro Bakker s.m.a.
deken van Amsterdam

Zrs. van Amersfoort en De Goede Herder Amsterdam

GERECHTIGHEID DOOR BARMHARTIGHEID

Zondag 6 september 2020
23ste zondag door het jaar – A
Ezechiël 33:7-9 en
Romeinen13:8-10 en
Matteüs 18:15-20

Jaar van barmhartigheidHet evangelie van vandaag is een ervaringsbericht uit de jonge kerk, die veertig, vijftig jaar na de dood van Jezus, in een crisissituatie terecht is gekomen. Er ontstond onenigheid, zoals dat in elke gemeenschap kan gebeuren. We zijn het vaak niet eens met elkaar. En als iemand de fout is ingegaan, hoe ga je daar dan mee om? En wat, als iemand fundamenteel scheef zit, hoe ga je dan om met zo’n situatie Hoe kom je een stap verder zodat we weer bij elkaar gebracht worden en weer één zijn?

In de tijd van Jezus, en in de tijd van de jonge kerk, die in haar gelederen de menselijke tekorten sterker begon te ervaren, hadden velen te kampen met een toenemende verdeeldheid. Een verdeeldheid die, als het om een gelovige gemeenschap gaat, ook in onze tijd, nog steeds hoog op onze agenda staat. Hoe gaan we met elkaar om, en zeker ook met mensen die zeggen te geloven?
Lees “GERECHTIGHEID DOOR BARMHARTIGHEID” verder

OVER GRENZEN HEEN

zondag 16 augustus 2020
20ste zondag door het jaar – A
Jesaia 56:1+6-7 ,
Romeinen 11:13-15+29-32 en
Matteüs 15:21-28
Ambro Bakker s.m.a.

confrontatie aangaanBij het lezen van het verhaal van Matteüs moest ik denken aan een asielzoeker die ik ken en die is uitgeprocedeerd tussen blijven en uitzetting. De kleren, die hij draagt, heeft hij gekregen; hij eet brood waarvoor hij niet kan betalen en hij woont onder een dak dat niet het zijne is. Hij maakt geen deel uit van onze samenleving en deelt niet in onze welvaart, hij krijgt slechts wat kruimels. Hij verlangt naar een echt leven, maar komt alleen maar obstakels tegen. Gaat deze vergelijking mank? Natuurlijk gaat hij mank, zoals elke gelijkenis. Maar toch raakt het aan de vraag die ook in het evangelie van vandaag gesteld wordt, Hoe gaan wij om met de vreemdelingen die in ons midden wonen? Hebben zij rechten of niet? Komt ook de vreemdeling heil toe, of niet? Het is een groot maatschappelijk, politiek probleem, maar vooral een menselijk probleem in een wereld waar zeventig miljoen vluchtelingen over de hele wereld een zwervend bestaan leiden. Lees “OVER GRENZEN HEEN” verder