BEREIDT DE WEG VOOR HET KERSTKIND

zondag 5 december 2021
Tweede zondag van de Advent – C
Baruch 5:1-9, Filippenzen 1:3-6+8-11 en
Lucas 3:1-6

Een stem van iemand roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht

Plechtig begint Lucas vandaag het evangelie met een opsomming van een lijst heel belangrijke personen die toen aan de macht waren: Tiberius, Pontius Pilatus, Herodes en Filippus, de broer van Herodes. En Annas en Kajafas bekleedden het hogepriester­schap. En dan valt plotseling de naam van Johannes die bekend staat als ‘de Doper’. Hij trad op in heel de Jor­daanstreek en preekte een doopsel van bekering ‘tot vergeving van zonden’, zoals dat beschreven staat in het boek van Jesaja: ‘een stem die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer, maak zijn paden recht, want elk dal moet gevuld, elke berg en heuvel geslecht worden, de kronkelpaden moeten recht, de ruwe wegen effen worden. Dan zal heel de wereld zal Gods redding zien.

Zo klinkt het evangelie van vandaag. Johannes de Doper, heraut van de gerechtigheid, roept ons op tot bekering. Hij is nog als een profeet uit het Oude Verbond, maar hij weet dat degene die na hem komt, oneindig groter is dan hijzelf. Hij weet nog niet waarin de grootheid van Jezus zich zal uiten. Deze zal bestaan in de grootheid van de liefde, die zich opoffert tot het uiterste: zelf tot op het kruis. Deze goddelijke liefde ligt nu al verborgen in het kleine kind van Kerstmis. Deze verborgen liefde hebben wij vaak misbruikt om de liefde van God te zoetelijk te maken. Daarom is het gepast de stem van de roepende in de woestijn te laten horen: ‘Bereid de weg van de Heer’. Dat is hetzelfde geluid als wat wij van Jezus horen, wanneer Hij voor het eerst in het openbaar optreedt. Ook Hij zegt: ‘Bekeert u, want het Rijk der hemelen is nabij’. Het Kerstfeest moet ons beter maken, en dat betekent: we moeten herschapen worden in de gelijkenis met God, zoals Gods eerste bedoeling met de mens was.

Die gelijkenis met God is iets anders dan het gelijken op Jezus, zoals Hij is met Kerstmis, maar later ook met Goede Vrijdag. Wat betekent dat we de weg van de Heer bereiden? Let wel: er staat niet de weg van de Heer, maar de weg ván de Heer. Jezus wijs ons niet de weg: Hij is zélf de weg, de waarheid en het leven. Het gaat er niet om of wij een weg vrijmaken waarlangs de Heer bij ons kan komen. Hij is er, overal en altijd, ook al lijkt het soms nooit en nergens! En toch: Hij is de Tegenwoordige. En waar zijn wij, welke weg gaan wij in ons leven? Zoals al het geschapene zijn ook wij voortdurend onderweg.

In het Oude Testament heeft ‘dé weg’ een bijzondere betekenis gekregen: ‘Dit zegt Jahwe: Ga op de kruispunten staan en kijk uit, vraag naar de oude paden en vraag wat een goede weg in je leven is (Jer.6:16). Talloze mensen begeven zich op de weg van God. Ze zeggen: ‘kom, laat ons optrekken naar Jahwe’s berg, naar het huis van Jakobs God: Hij zal ons zijn wegen leren gaan, we zullen ons door hem laten leiden’. (Jes.2:3) De uitdrukking ‘de weg van God’ betekent in het Evangelie de levenswandel die God van ons verlangt. In een strikvraag wilden de Farizeeën Jezus een uitspraak ontlokken tegen de letter van de wet, maar zij kregen een antwoord over de geest, waarin de mens de wet dient te beleven. Zij vroegen naar de bekende weg: ‘meester, wij weten dat u oprecht zijt en u aan niemand stoort, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen, maar leert de weg van God in oprechtheid. Is het geoorloofd aan de keizer belasting te betalen of niet?’ Maar Jezus antwoordde: ‘geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt’ (Mc.12:13-17)

Het oudtestamentische beeld van de twee wegen, de goede en de slechte, keert terug in de Bergrede: ‘Gaat binnen door de nauwe poort, want de weg die naar de ondergang voert is wijd en breed, en velen zijn er die hem inslaan. Hoe nauw tocht is de poort en hoe smal de weg die voert naar het leven, en weinigen zijn er die hem vinden’ (Mt 7:13-14). Het hoogtepunt van de Bijbelse weg-symboliek onthult Jezus in de verklaring over zichzelf: ‘Je weet waar Ik heenga en ook de weg daarheen is je bekend’. Tomas zei tot Hem ‘Heer, wij weten niet waar U heengaat, hoe moeten wij dan de weg kennen?’ Jezus antwoordde Tomas: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij’ (Joh.4:4-6) Niet wij wijzen de weg voor Jezus, Hij is zelf de weg! Ons taalgebruik is doorweven met deze symboliek. Sterven heet in een wat plechtige zegswijze: de weg van alle vlees gaan. De brede weg is de weg van de zonde en de smalle weg is het pad van de deugdelijkheid, en daartussen ligt de gulden middenweg.

En wat heel oud en heel bekend is, heet: zo oud als de weg naar Rome! Maar wie de weg van het Kerstkind bewandelt en in Zijn voetspoor gaat, moet Hem volgen. In een beroemd boekje is dat de Navolging van Christus geworden (van Thomas a Kempis). Het Tweede Vati­caans Concilie (1962-1965) kreeg als gemeenschap­pelijke niet voor niets de titel: ‘Gods volk onderweg’. Sprekend over de juiste levenswandel vermaant Paulus: ‘maakt een recht spoor met uw voeten (Hebr. 12:13). En degene die volharden belooft hij: ‘dan zal de God van vrede weldra de satan onder uw voeten verpletteren (Rom.16:20). En tenslotte, ‘wie naar Petrus woord, gaat in het voetspoor van de Heer zal in zijn leven nooit struikelen (2 Petr.1:10). Zo bereiden wij in de Adventstijd weg naar het kerst­kind.

Ambro Bakker s.m.a.
Deken van Amsterdam